Op de bovenste, negende verdieping van het grote blok flats
staat een klein figuurtje op een balkon.
Van beneden, van de grond af, kun je hem bijna niet zien, zo
hoog is het.
Alf, die over de rand van het balkon naar beneden kijkt, kan
de grond niet goed zien. Zo vroeg in de ochtend hangt er een
dunne mist tussen de flats, daardoor ziet hij niet veel van de
planten op de grond.
Alleen dat stomme hek blijft duidelijk te zien, denkt Alf treurig.
Alf houdt niet van hekken. En vooral niet van dit hek. Het staat
rondom een paar volkstuintjes die tussen de blokken flatwoningen
liggen.
Alfs vader heeft zo'n volkstuintje. Maar Alf kan er nooit alleen
komen. Want dat hek zit altijd op slot en is te hoog om overheen
te klimmen.
Vader verdedigde een keer het nut van het hek: "Dan kunnen
er geen honden poepen en kan ook niemand groenten en fruit stelen."
"Maar er kunnen ook geen kinderen komen," reageerde
Alf boos.
Alf heeft een paar keer geprobeerd of hij zelf met de sleutel
de poort van het hek kan openmaken. Maar het slot gaat te zwaar.
Vader doet er soms een druppeltje olie in, maar dat helpt niet
veel.
Alf kijkt naar de planten op het balkon. De meeste zijn niet
veel meer dan dode staken, die wachten op de eerste zonnestraaltjes
van de lente om knoppen te krijgen.
Alleen een paar klimplanten en een conifeer zijn nog groen. Doods
groen, vindt Alf. De glans op de blaadjes van de klimplanten
is schijn. Het zijn fijne waterdruppeltjes van de ochtendnevel.
Vader kijkt door het raam van de kamer en ziet de sombere
trek op het gezicht van Alf. Hij doet de balkondeur open en vraagt:
"Heb je zin om straks mee te gaan naar de tuin, Alf?"
"Wat mag ik dan doen?"
"Eh, wat dacht je van spitten?" oppert vader.
"De grond is toch nog hard?" denkt Alf hardop.
"Dat valt wel mee, denk ik."
"Geen zin."
"Zullen we dan gewoon gaan kijken wat er gedaan moet worden,
vandaag? Dan kun je misschien zelf iets bedenken," stelt
vader voor.
Een half uurtje later staan ze samen in de lift.
Vader met een spa, Alf met een snoeischaar.
Alf kijkt naar de cijfers en letters op de half kale liftdeuren
die voorbij glijden. 3, 2, 1, BS, BG. BG betekent begane grond,
daar moeten ze er uit.
Door een paar donkere gangen komen ze aan de achterkant van hun
flatgebouw. Daar gaat de grond omhoog. Een tegelpad tussen de
struiken komt uit bij het hek dat om de volkstuintjes staat.
Alf en zijn vader moeten er helemaal omheen lopen om bij de poort
te komen.
Het hek is open.
"Bah, die zeurkous is er ook weer," ziet Alf.
"Ach, hij valt wel mee."
Ze hebben het over een medetuinder, die vaak
smalende opmerkingen maakt over hun tuintje. Nu ook weer.
"Zo Jaco, kom je ook wat aan de puinhoop doen?" vraagt
de dikke man.
Het tuintje van Alfs vader ligt er altijd nogal wild bij. Vader
houdt niet van kale grond. Paadjes en stukken die hij tijdelijk
niet gebruikt, schoffelt hij niet schoon.
"Onkruid heeft ook nut," heeft vader verteld.
"Je moet alleen zorgen dat je het verwijdert vóór
het zaad schiet. Anders heb je het na een poosje ook overal waar
je het niet wilt hebben."
"Bedoel je mijn bodembedekking, Nelis?" vraagt vader
zo vriendelijk mogelijk.
"Oh, noem je dat bodembedekking!" zegt Nelis schamper.
Vader haalt zijn schouders op en loopt door.
Alf kent dit soort gesprekjes. Maar hij snapt er niet altijd
alles van.
"Waarom hebben wij bodembedekking?" vraagt hij aan
vader.
"Dan slempt de grond niet dicht.
"Slemp?" vraagt Alf.
"Ja, als de grond zo'n vreemd laagje krijgt, waar het water
slecht in weg loopt."
"Oh ja," zegt Alf.
"Als de grond dichtslempt, kan het voedsel uit de grond
niet goed bij de plantenwortels komen," voegt vader toe.
Hij probeert de spa in de grond te steken.
"Toch nog hard," constateert hij.
"Zei ik toch al!" zegt Alf.
"Tja," zegt vader peinzend, "zal ik dan maar helpen
met jouw werkje?"
Alf vindt het best.
Vader begint dode staken van de haag rond hun tuintje uit de
grond te trekken.
Alf knipt ze met de snoeischaar in kleinere stukken.
Na een poosje hebben ze een hoge stapel van dood hout, hennepstaken
en allerlei afgestorven plantjes.
"Hè, nu heb ik wel een aansteker, maar geen oud papier
meegenomen," zegt vader op een moppertoon.
"Ik haal wel oude kranten," zegt Alf. Hij heeft er
eigenlijk geen zin in, maar fikkie stoken is leuk genoeg om nog
een keer voor naar boven te gaan.
Een kwartiertje later brandt de hoop afval.
"Als een lier!" lacht vader.
Alf geniet van de vlammen, de warmte en zijn spel om de hoop
brandend te houden.
Als ze uren later weer thuis komen, zegt Alfs moeder: "Bah,
wat stinken jullie naar rook!"
"Nee, hoor," zegt vader, "wij stinken niet. Volgens
mij ruiken wij lekker naar brandend hout."
"Ik ben blij dat we centrale verwarming hebben," zegt
moeder. "Jullie pyromanen zouden anders de hele dag fikkie
stoken in de haard."
"Wij zijn geen pyromanen," protesteert vader, die wel
ziet dat Alf niet weet wat dat woord betekent. "Je zou eens
in het woordenboek moeten kijken wat dat woord betekent. Wij
doen brandweermannenwerk," zegt hij met een knipoog naar
Alf. |