"Welkom in ons dorp," zegt Thamars vader, alsof hij Alfs gedachten kan lezen. "Ons geheime dorp," voegt hij er aan toe.
"Geheim?" Alf kijkt om zich heen. Als dit een dorp is, waar zijn de huizen dan? Vertwijfeld kijkt hij naar Thamar.
"Woon je hier?" vraagt hij ongelovig.
"Ja! Maar dat weten wij alleen, lekker puh!" Ze steekt haar tong uit.
"Maar nu weet ik het ook!" zegt Alf, ineens ferm.
"Dat is nu juist ons probleem," zegt Thamars vader. Zijn gezicht staat even heel donker. Alf voelt een rilling over zijn rug lopen.
"Alf, je bibbert helemaal," zegt Thamar.
"Je zult het wel koud hebben. Kom, dan kun je bij het vuur warm worden," zegt Thamars vader vriendelijk.
Maar Alf weet niet zeker of hij bibbert van de kou, of van iets anders.
Schoorvoetend loopt hij naar een vuurtje. Hij zou er zijn handen boven willen houden, maar hij durft zich nauwelijks te bewegen. Om hem heen staan allemaal mensen. Grote, maar ook een paar kleine kinderen. Alf voelt zich heel klein worden, zo verlegen wordt hij van al die aandacht.
De mensen bekijken hem van top tot teen en fluisteren met elkaar.
"Dat kan toch niet, zo'n joch," hoort hij iemand zeggen.
Waar hebben ze het in godsnaam over..?
Hij kijkt even op. Ziet al die vreemde gezichten. Alleen dat ene gezicht... die man.. Ineens weet hij het. Die man, natuurlijk heeft hij die eerder gezien! Dat is de vader van Robert! Robert uit zijn klas, Roberts vader die verdwenen was!
Alf snapt nu helemaal nergens meer iets van, hij voelt zich helemaal in de war.
Hij schrikt op van een hand op zijn schouder.
"Hier, trek maar aan," zegt een vrouw. Ze geeft hem een grote, wittige trui. Brr, die trui is van wol, hij kriebelt.
Moet hij zich nu uitkleden, terwijl al die mensen naar hem kijken... Hij wil geen kriebeltrui!
"Nee!" roept hij. "Nee, hij kriebelt! Ga weg! Ik wil weg!"
Maar hij loopt niet weg. Hij voelt zich plots zo moe en verdrietig, dat hij op de grond zakt en begint te huilen.
Thamar staat er hulpeloos bij.
"Hé, Alf.." probeert ze zachtjes. En nog eens: "Hé..Alf?"
"Ga weg!" snikt Alf.
Maar daar is Thamars vader tussen de mensen. Hij heeft een deken bij zich en legt die om Alf heen.
"Kom maar," zegt hij zachtjes, "ik breng je naar een rustiger plek." Zijn grote sterke armen tillen Alf op, dragen hem weg van het vuur, weg van al die mensen.
Snikkend, zijn ogen stijf dicht, voelt Alf alleen nog die sterke armen, dat warme lijf en de zachtzware rustige stem die hem probeert te troosten.
Dan merkt hij, dat ze naar beneden gaan, ergens in.
Hij doet zijn ogen open, probeert te zien waar hij is. Het is een beetje donker en Alf ruikt heel scherp de geur van aarde. Hij is in een vreemd soort kamer.
"Ach jee," hoort hij een vrouwenstem zeggen. "Het arme joch."
Thamars vader legt Alf op een soort bedbank, vol zachte kussens. Maar Alf gaat meteen overeind zitten, hij wil zien waar hij is.
Gelukkig, Thamar is er ook.
En een tengere vrouw, die erg op Thamar lijkt, met net zulk haar. Ze lacht vriendelijk naar hem en houdt hem een kommetje voor.
"Hier, lekkere warme thee, drink maar op," zegt ze.
Het kommetje voelt een beetje bobbelig, maar toch zacht warm aan, alsof het met de hand van klei gemaakt is. Thee, daar heeft hij zin in.
Hij proeft er voorzichtig van. Mm, kruiden en een beetje zoet. Alf voelt zich wat rustiger en kijkt wat beter om zich heen. Het is een kleine ruimte, donker, maar toch knus. Hij ziet een ronde tafel met bankjes er omheen, een soort fornuis dat meer lijkt op een kachel en overal langs de holronde muren liggen kussens. Op de tafel brandt een kaars en boven een trappetje komt een brede reep daglicht naar binnen.
"Zijn hier geen ramen?" vraagt hij.
"Boven, achter je," zegt Thamars moeder.
Alf draait zijn hoofd en ziet inderdaad een schuin vlak waar licht doorheen komt.
"Het lijkt hier net een hol," denkt hij hardop.
"Dat is het ook," zegt Thamars vader. "Dit is een holhuis. We zitten hier voor het grootste deel onder de grond."
"Wonen jullie hier, onder de grond?!" vraagt Alf verbaasd. Nu snapt hij ineens waarom hij geen huizen zag. "Is hier een dorp onder de grond?"
Thamars vader moet een beetje lachen. "Ik zei je toch al, dat dit een geheim dorp is."
"Daar slaap ik," wijst Thamar op een plek vol bontgekleurde kussens.
"Mm," mompelt Alf. Hij voelt zich nog steeds niet helemaal op zijn gemak.
"Jij woont in de flats, hè," vraagt Thamars moeder.
Alf knikt. Hij denkt aan thuis en voelt weer tranen prikken, achterin zijn ogen. Hij veegt met de rug van zijn hand over zijn ogen.
"Hé, niet weer gaan huilen, hoor," zegt Thamar.
"Ik wil naar huis! Ik moet naar huis!" roept Alf uit.
"Dat mag niet!" zegt Thamar beslist. Geschrokken kijkt Alf haar aan.
"Thamar!" zegt haar moeder vermanend.
"Maar iedereen, die hier komt, moet toch blijven!" sputtert Thamar tegen.
"Daar hebben we het straks nog over," zegt Thamars vader. "Eerst moeten we wat doen aan Alfs vieze kleren."
"We hebben vast wel een broek en trui van Thamar, die je passen. Als je die aandoet, kan ik je vieze kleren schoonmaken," stelt Thamars moeder voor.
Alf aarzelt. Maar Thamar rommelt al wat in een hoek en komt met een broek en een trui naar hem toe. "Deze kriebelt niet," zegt ze.
Weifelend pakt Alf de kleren aan. Hij vindt het raar om zijn kleren uit te doen. Hij vertrouwt het niet helemaal. Zei Thamar niet, dat hij hier moest blijven... Straks is hij zijn kleren ook nog kwijt...
"We zullen niet kijken, hè, Thamar," zegt haar moeder vriendelijk.
Alfs kleren gaan moeilijk uit. Ze zijn zwaar en stijf door de half opgedroogde modder.
"Ik help je wel," zegt Thamars vader. Met een handdoek wrijft hij Alf stevig schoon.
Even later staat Alf in Thamars schone kleren. Zijn eigen kleren zijn gewassen en hangen te drogen bij de fornuiskachel.
Alf krijgt een boterham en een nieuw kommetje thee.
"We moeten met je praten," zegt Thamars vader dan.
Hij vertelt, dat ze een paar jaar geleden hier met een groepje mensen zijn gaan wonen, omdat ze het in de stad zo naar vonden, zo druk, zo vies. Dat ze liever in de natuur gingen wonen en daar het terrein voor uitkozen. Maar dat het vast niet mag van het bestuur van de stad en dat ze daarom stiekem hier wonen. Ze leven van wat er op het terrein is en wat ze zelf verbouwen.
Langzaam begint Alf te snappen, wat er aan de hand is.
"Komen jullie nooit in de stad?" vraagt hij.
"Nee, bijna nooit. Dan zouden we ons zelf misschien verraden."
Alf vertelt, dat hij nooit op het terrein mag komen. Omdat er mensen verdwijnen. Zoals de vader van Robert. Hij vertelt, hoe iedereen zich ongerust maakte over Roberts vader.
Thamars vader, die Jaap blijkt te heten, kijkt even somber.
"Tja," zegt hij, "dat is heel naar allemaal. Maar hij mocht natuurlijk niet vertellen, dat hij bij ons kwam wonen. Een geheim is een geheim. En nu ken jij ook ons geheim."
"Maar ik wil hier niet blijven!" roept Alf vertwijfeld uit.
"Ja, dat is ook ons probleem," zegt Jaap sussend.
"Vertel eens, Alf, wie behalve wij hier, weten nog meer, dat jij toch steeds op het terrein komt?"
Alf krijgt een kleur.
"Eh, niemand," zegt hij, "Want als ze dat weten, dan kan ik er nooit meer heen."
"Dus heb jij ook al een geheim," zegt Jaap.
"En dat geheim heeft veel te maken met ons geheim," vult Peti, Thamars moeder, aan.
"Hé ja!" roept Thamar enthousiast uit. "Als je niet over het terrein mag vertellen, mag je ook niet over ons vertellen!"
"Ik vertel echt niets!" zegt Alf, die weer denkt aan naar huis gaan.
"Maar eh, wat moet ik thuis wél vertellen?" vraagt hij zich angstig af.
"Jokken mag ook eigenlijk niet, hè, Alf," zegt Peti. "Vond je het niet steeds moeilijk om te jokken als je op dit terrein was geweest?"
Alf knikt. Hij denkt aan al die keren, dat hij zich bijna versprak tegen zijn vader.
"En nu is je geheim nog veel groter. Lijkt je dat niet nog moeilijker?" vraagt Peti.
Heel moeilijk, hoe doe ik dat? vraagt Alf zich af. Maar hij durft dat niet te zeggen.
"Ik verklap toch niets!" zegt hij zo ferm mogelijk.
"Ook niet tegen Robert?" vraagt Jaap.
Oh jee. Robert! Die nog steeds over zijn verdwenen vader praat. Die niet wil geloven, wat iedereen zegt, dat hij waarschijnlijk dood is. En hij, Alf, weet nu dat Robert gelijk heeft! En de gesprekken in het buurtcafé... En de verhalen over spoken..
En Meta, Meta heeft hem gezien...!
"Meta heeft me gezien!" schrikt Alf.
"Meta? Wie is Meta?" vraagt Jaap. Alf vertelt. "Ik snap niet, wat ze hier doet," besluit hij.
Het is even stil. Ieder heeft zo zijn eigen gedachten.
"Misschien heeft Meta ook een geheim," oppert Peti.
"We zullen nog beter moeten opletten," zegt Jaap. "Misschien moeten we maar weer vuurtjes stoken in de tunneltjes. Dan valt de rook niet meer op."
"Ik wil naar huis!" houdt Alf vol. "Ik verklap echt niets!"
Peti en Jaap kijken elkaar twijfelend aan.
"Als je naar huis gaat, wil je hier dan nog eens terugkomen?" vraagt Peti.
"Mag dat dan?"
"Is dat wel wijs, Peti?" vraagt Jaap.
"Misschien wil Alf ons wel helpen," legt Peti uit. "Want iemand, die ons geheim kent en kan bewaren, hoort toch zeker ook een beetje bij ons. En wij kennen Alfs geheim. Het is toch makkelijker om samen geheimen te hebben..."
Zo hadden ze het nog niet bekeken. Alf krijgt er een blij gevoel van. Ook Thamar is ineens weer vrolijk. "Hihi," giechelt ze, "dan kun je me toch naar huis brengen."
Ze praten verder over geheimen bewaren. Dat het ook best leuk kan zijn. Zoals wanneer je een kadootje maakt voor je vader of moeder.
"Ja, je kunt kadootjes meenemen!" roept Thamar enthousiast. "Heb je spijkers, Alf?"
Alf knutselt geregeld. Zijn vader heeft veel gereedschap en hout in een diepe kast. Alf mag er gebruik van maken, zoveel hij wil. Ook van de spijkers, natuurlijk.
Jaap legt uit, dat ze veel zelf maken van materialen, die ze op het terrein vinden, maar dat er weinig metalen zijn en dat ze vooral gebrek hebben aan spijkers.
"Ik mag nooit een spijker ergens in slaan," moppert Thamar. "Dan sla ik hem krom, zegt Jaap. Maar hoe weet hij dat nou, als ik het nog nooit gedaan heb!? Puh!"
"Ik neem spijkers voor je mee," belooft Alf. "Maar dan moet ik eerst naar huis."
Ze praten nog een tijdje door. Over wat Alf zal doen als hij Robert weer ziet. Of Meta. Wat hij thuis zal vertellen omdat hij zo laat is. Hij moet plechtig beloven, niemand iets over het geheime dorp te vertellen.
Dan zegt Jaap: "Oké, we vertrouwen er op. Ik denk, dat het je allemaal wel lukt. En je houd je ook goed aan de afspraken, wat je moet doen, als je ons wilt opzoeken, he, Alf?"
Alf belooft het.
Ze krijgen nu haast. Als Alf opschiet, is hij misschien nog voor het avondeten thuis.
Alf trekt zijn eigen, bijna droge kleren aan.
Jaap en Thamar brengen hem een stukje weg. Jaap laat Alf zien waar hij op moet letten om veilig door het moeras te lopen.
Voorbij het moeras nemen ze afscheid.
"Alleen hier komen, als niemand je ziet hè!" roept Jaap hem na.
"En niet aan de sluizen zitten!" roept Thamar plagerig.
Dat moet hij nog eens vragen, over die sluizen, bedenkt Alf.
Dan zwaait hij de laatste keer en zet het op een lopen, naar huis.
|