Hoe dichter Alf bij huis komt, hoe meer hij zich zorgen maakt. Wat staat hem daar te wachten?.
In de lift repeteert hij wat ze bedacht hebben, wat hij zal zeggen. Zenuwachtig haalt hij zijn sleutel uit zijn zak. De sleutel, met het expres gebroken touwtje, dat normaal om zijn nek hangt.
Voor hij het slot open heeft, vliegt de deur al open.
"Gelukkig! Daar ben je eindelijk! We waren zo ongerust!" zegt zijn moeder. "Waar kom je zo laat vandaan?"
"Eh, eh," stottert Alf en voelt hoe hij een kleur krijgt.
"Ik ben al in de buurt gaan zoeken," zegt vader. "We hadden toch afgesproken, dat je met de thee weer thuis zou zijn...!"
"Eh, maar, eh, ik had zitten dromen. Het was zo warm. Ik geloof, dat ik heb liggen slapen." Dan zegt hij zo snel mogelijk, wat hij met Jaap en Peti heeft bedacht. "En toen ik wakker werd, was mijn ene laars kwijt. In de sloot gevallen. Ik zag hem nergens meer. En het touwtje van mijn sleutel brak en toen was ik de sleutel ook nog kwijt. Ik heb heel lang lopen zoeken. Maar de sleutel heb ik weer! Kijk maar; het touwtje is gebroken!"
De leugens zijn eruit. Hij laat een diepe zucht van opluchting.
"Echt Alf weer!" zegt moeder.
"Jammer van die laars. Maar je bent er tenminste weer. We waren al bang, dat je naar het terrein was gegaan! Kom maar gauw, het eten is al lang klaar. Je zult wel honger hebben."
"Nou!" zegt Alf en loopt snel de kamer in. Hopelijk zien ze zo zijn kleur niet...
De tijd na die spannende dag is Alf meer thuis dan ooit.
Zijn ouders praten nergens over, maar Alf durft toch niet zo goed weer naar het terrein en het geheime dorp. Zelfs als hij er niet komt, vindt hij het moeilijk om er niet over te vertellen. Hij denkt er veel aan.
Op een zaterdag werkt hij met vader in de tuin.
"Je hebt er weer zin in, hè," merkt vader op. "Ik vind het heel gezellig, dat we weer zoveel samen doen. Maar wat ben je toch stil, de laatste tijd. Zit je iets dwars?"
"Eh, n-nee hoor," stottert Alf en schoffelt door, alsof zijn leven er van afhangt.
's Avonds in zijn kamer haalt hij een jampotje tevoorschijn, dat hij helemaal achterin een laadje heeft verborgen.
De afgelopen tijd is hij bezig geweest een vogelhuisje te timmeren. Telkens als hij eraan werkt, stopt hij stiekem wat spijkers in het potje, dat nu helemaal vol zit.
Hij wacht op een goede gelegenheid om het potje naar Thamar te brengen.
Die gelegenheid komt maandag.
Het is een snikhete dag. Op school is het broeierig.
"Vandaag zal er van lesgeven niet veel komen," zegt de juffrouw. "Het is toch bijna grote vakantie. Wat zouden jullie er van denken, als we op de speelplaats de brandslang aanzetten?"
De kinderen joelen.
Alf krijgt een idee.
"Ik zou liever naar huis gaan," zegt hij tegen de juf.
"Waarom Alf?" vraagt ze.
"Nou eh, dan kan ik in onze tuin met water spelen. Als het zo heet is, hebben de planten veel water nodig," bedenkt Alf.
De juffrouw moet lachen.
"Zijn je ouders thuis?" vraagt ze.
"Ja-a," jokt Alf. Moeder is naar haar werk en vader zou schilderijen van een expositie, ver in het land, halen.
"Nou vooruit, voor deze keer dan," lacht de juf.
Alf gaat zo snel hij kan naar huis. Voor hij de lift in gaat, kijkt hij eerst, of de door zijn vader geleende bestelauto nog voor de deur staat. Nee, gelukkig, vader is al weg.
Snel haalt hij zijn jampotje met spijkers en gaat zo vlug hij kan naar het terrein.
Hij kijkt goed of er niemand in de buurt is en ook op het terrein blijft hij opletten of er toch niet iemand is, die hem ziet.
Bij het moeras probeert hij zich alles te herinneren, wat Jaap gezegd heeft. Behoedzaam zoekt hij zijn weg. Als hij de struiken aan de andere kant van het moeras bereikt heeft, haalt hij opgelucht adem. Het bonzen van zijn hart wordt minder.
Zijn verloren laars heeft hij niet gezien.
Even lijkt het, of hij de weg kwijt is. Moest hij hier nu naar rechts, of juist rechtdoor... Hij twijfelt, maar buigt dan toch af naar rechts. Nu zou hij vuurtjes moeten zien. Maar hij ziet ze niet. Alf speurt naar alle kanten of hij een teken van leven ziet.
Hij ziet bekende heuveltjes. Maar waar is iedereen?
"Oehoe!" roept hij.
"Oehoe! Waar zijn jullie?"
Bewoog daar wat, bij dat heuveltje? Of verbeeldde hij het zich?
Welk heuveltje was ook weer het holhuis van Thamar?
Dan ziet hij het hoofd van Jaap tevoorschijn komen. En de rest van Jaap, die hem vrolijk tegemoet loopt.
"Ha die Alf! Je hebt ons laten schrikken. We zitten net bij elkaar te vergaderen en ineens hoorden we iemand roepen... Maar kom er bij. Je moet ons alles vertellen, over hoe het je thuis vergaan is."
Jaap neemt Alf mee naar een holwoning. Hij is wat groter dan die van Jaap en zit vol mensen. Ze begroeten hem vrolijk.
"Ah, nu ben je tenminste droog," grapt iemand.
Hij voelt zich weer verlegen worden tussen al die mensen.
"Waar is Thamar?" vraagt hij en haalt het jampotje uit zijn broekzak.
"Bij Peti. Ze zou bessen ritsen, geloof ik," antwoordt Jaap. "Laat eens kijken, Alf, wat heb je daar? Is dat, wat ik denk dat het is..? Tjonge, dat zijn een boel spijkers! En zelfs schroeven, zie ik. Wou je die allemaal aan Thamar geven of mogen wij ze ook gebruiken?"
"Maar Thamar ook," zegt Alf.
"Kijk eens, mensen," zegt Jaap, "wat Alf heeft meegenomen. Maar kom er bij zitten, jong."
Alf aarzelt.
"Hij gaat vast liever naar Thamar," zegt een vrouw.
Alf knikt.
"Dan loop ik even met je mee," zegt Jaap. "Ik wil graag weten hoe het thuis is afgelopen."
Thamar is heel blij als ze Alf ziet. En nog blijer als ze hoort, dat ze nu ook spijkers kan proberen te slaan.
"Wil je bessen?" vraagt Peti.
"Brr, nee, die zijn zo zuur," zegt Alf.
"Ze hadden me gezocht. Waren al bang, dat ik op het terrein was," vertelt hij.
"Goh, en je hebt alleen gezegd, wat we hadden afgesproken? Wat goed van jou," zegt Peti.
"Heb je Meta nog gezien?"
Alf vertelt, dat hij een keer met zijn vader in het buurtcafé is geweest. Meta had hem steeds aangekeken, maar niets gezegd of gevraagd. Wel was ze aardiger dan anders tegen hem. "Het leek wel of ze bang was, dat ik iets zou zeggen," bedenkt hij ineens.
"Je vindt haar niet aardig, he," zegt Thamar.
"Nee!" zegt Alf beslist.
Hij vertelt hoe hij nu van school spijbelt.
"O Alf, zo word je wel een erge jokkebrok," vindt Thamar.
Ze vraagt hem honderduit over school. "Peti leert mij lezen en schrijven. Maar we hebben niet veel boeken. En die vind ik allemaal zo moeilijk. We hebben bijna alleen vraagboeken."
"Vraagboeken?"
"Ja, boeken, waar je iets in kunt opzoeken als je wilt weten wat je moet doen. Als je ziek bent of zo. Maar van Frank heb ik dit gekregen." Frank is de vader van Robert. Thamar laat Alf een dik boek zien. Vol sprookjes en mooie prenten.
"Daar heb ik er wel tien van," zegt hij trots. "En op school hebben we wel duizend boeken met verhalen."
"Pff! Zoveel? Dat bestaat niet!" roept Thamar.
"Welles!" zegt Alf. "Die staan in alle klassen en ook nog in de bibliotheek. En in de echte bibliotheek zijn er nog veel meer! Die kun je niet tellen! En ik heb ook veel strips!"
"Wat zijn dat nou weer?!"
"Nou, doe niet zo stom!" zegt Alf verbaasd.
"Ik doe niet stom!" zegt Thamar, maar niet boos, zoals anders.
"Ik wou, dat ik naar school kon," zegt ze treurig. "Daar heb je tenminste ook veel water!"
"Jullie toch ook?" Alf denkt aan de sluizen. En bedenkt zih ineens wat;
"Waar is jullie kraan?" vraagt hij.
"Die hebben we niet," zegt Jaap. "Op een paar plaatsen op het terrein staan drinkwaterfonteintjes. Alleen daar en bij de oude speelsluizen komt schoon drinkwater uit een leiding. Daar halen we water met emmers en vaten."
"Net als bij kamperen," lacht Alf.
Maar hij merkt die dag, dat het in het geheime dorp toch wel heel anders is dan op een camping. Daar zijn nog douches en echte w.c.'s. Thamar brengt Alf een keer naar de 'poepdoos'. Het is een klein donker hokje met een houten kist met een rond gat erin. Het stinkt er flink, vindt Alf en het stikt er van de vliegen.
Het dorpje lijkt meer op een boerderij dan op een camping.
Er zijn twee schapen, een geit en een stel kippen.
"Rotbeesten," scheldt Thamar. "De hele dag moet je opletten of er niet eentje wegloopt. Gelukkig heeft de geit nu een ketting. Die kan ze tenminste niet stuk bijten, zoals eerst haar touw."
"Ik vind haar wel lief," zegt Alf. Voorzichtig probeert hij, of hij de geit kan aaien. Ze laat het toe, maar voor Alf het weet, zet ze haar tanden in zijn t-shirt.
"Zie je nou! Dat doet ze altijd! Als je niet uitkijkt, eet ze ook al ons eten op. Maar haar melk is lekker," zegt Thamar. "Daarvoor wou ik, dat we meer geiten hadden, dan kreeg ik vaker melk. Maar Jaap zegt, dat nog meer dieren teveel gaat opvallen."
Alf kan zich nauwelijks voorstellen, dat Thamar melk zo lekker vindt. Hij mag thuis zoveel melk uit een pak nemen, als hij wil. Thamar krijgt maar om de dag een kommetje. De melk van de geit wordt verdeeld. En van een deel wordt ook nog kaas gemaakt. Geitekaas. Ze maken ook schapekaas.
"Bllg, vies! Schapekaas!" Alf herinnert zich, hoe hij dat scherp smakende goedje eens proefde en niet eens wilde doorslikken.
"Lekker juist," vindt Thamar.
Ze laat hem zien waar ze groenten verbouwen. Alf ziet veel groenten, die hij kent van hun eigen tuintje. Alleen zijn de hoeveelheden hier groter.
Tussen erwtenplanten scharrelt een kip.
"Ksst, weg jij, rotkip!" scheldt Thamar. "Die pikt weer onze kapucijners!"
"Die kip moet toch ook eten?" merkt Alf op.
"Ja, maar ze vernielt onze planten en eet ook veel te veel!"
Alf moet lachen om Thamar, die achter de kip aanjaagt Ze loopt gek omdat ze op moet letten, niet op de groenten te trappen. De kip vliegt kakelend en fladderend een wilde begroeiing in.
Alf en Thamar ploffen daar neer.
"Dat bedoel ik nou met rotbeesten," legt Thamar uit. "Je blijft altijd bezig je eten te redden."
De groententuin is voor de mensen in het dorpje veel belangrijker, dan de volkstuin voor vader, begint Alf te begrijpen.
"Gaan jullie nooit naar een winkel?" vraagt hij.
"Ik heb er nooit éen gezien. Heel soms gaat éen van de grote mensen naar de stad om iets in winkels te halen. Maar dat kost geld en daar hebben we heel weinig van. Dat mag bijna alleen gebruikt worden voor zaden en stoffen om kleren van te maken. Soms voor iets anders dat nodig is. Maya is al twee keer stof gaan kopen. Dan blijft ze heel lang weg. Omdat het heel moeilijk is, goedkope stof te vinden, die toch sterk is, zegt ze. Ze neemt dan grote tassen vol katoen mee terug. Lekker, katoen, dat is zachter en koeler dan wol. En kriebelt nooit."
Ze voelt aan Alfs t-shirt.
"Vast ook katoen," zegt ze. "Jij hebt veel van die truitjes, he?"
Alf bromt wat.
"Ook mooie kleuren en tekeningen erop," vindt Thamar. "Ik heb alleen deze groene. En soms mag ik er een van Peti aan. Als deze te klein is, is hij voor Kareltje, voor als die weer wat groter is. En dan maakt Maya een nieuwe voor me, heeft ze beloofd."
"Mijn te kleine kleren geven we meestal aan mijn neefje," zegt Alf.
"Jammer dat ik niet veel kleiner ben," zegt Thamar.
Ze gaan naast elkaar staan meten.
"Ik ben toch wel groter," merkt Alf.
"Nietes!" begint Thamar weer te strijden.
"Dan moet je het zelf maar weten!" zegt Alf, "dan niet!"
"Nee niet!" zegt Thamar, die denkt, dat Alf het nog steeds over hun lengteverschil heeft.
Maar Alf neemt zich voor, de volgende keer voor Thamar een t-shirt mee te nemen, dat hij al een beetje klein vindt.
|