Ze lopen tussen de uiteengebogen struiken. Alf weet natuurlijk precies wat er komen gaat, maar vader kijkt speurend om zich heen.
"Mm, zo te zien gaan er inderdaad nogal eens mensen door dat gat," merkt hij op. Als ze uit de struiken komen zegt vader: "Zie je Alf, hoe overwoekerd het pad verderop is?"
"Oh ja?" speelt Alf verwonderd. "Stil hier, he," zegt hij even later.
"Mooi!" vindt vader.
"Zie je wel!" doet Alf triomfantelijk.
"We moeten weer terug," bedenkt vader zich.
"Hè, we hebben pas een heel klein stukje gelopen. We kunnen toch nog wel even dit pad volgen?"
"Nu moet je niet zeuren!" Maar vader loopt toch door.
"Was dit niet de weg naar de kruidentuin?" vraagt hij zich half hardop af. Hij vergeet, dat hij terug had gewild.
Alf laat niet merken, dat hij de weg op zijn duim kent.
Ze komen bij de waterplanten, waartussen een eindje verder de houten vlonder ligt waarover Alf naar zijn 'eiland' gaat.
"Nu herken ik het," zegt vader. "Daar verderop was de kruidentuin. Ik ben benieuwd, wat daar nog van over is. Maar we kunnen niet verder. Je kunt moeilijk tussen die waterplanten gaan lopen; veel te link. Kom Alf, we moeten terug!"
"Hè toe, papa, kunnen we hier niet even blijven?"
"Nee, we gaan terug. We zijn toch al veel verder dan ik van plan was. Trouwens, dit was helemaal niet afgesproken!"
"Mag ik eerst wat drinken?" probeert Alf.
"Best. Maar daarna gaan we terug."
Hij schenkt wat limonade voor Alf in de grote dop van de thermosfles. En draait voor zichzelf een shaggie. Alf klokt de koude limonade naar binnen en loopt dan gespeeld onverschillig richting vlonder.
"Hé, blijf hier! We gaan!" roept vader.
"Pap, kom eens kijken?!" roept Alf terug. "Wat is dit?"
Bij zichzelf is hij verbaasd en tevreden over zijn toneelspel.
Vader komt en ziet het nattige hout tussen het riet.
"Verhip! Een oude vlonder! Over die vlonders kwam je in de verschillende tuinen. Deze gaat vast naar de kruidentuin!" zegt vader verrast. Net als Alf, maanden geleden, zet hij zijn voet voorzichtig op het soppige hout.
"Mm, niet eens echt vermolmd! Zullen we dan toch nog maar even op avontuur?" Hij wacht Alfs antwoord niet af. "Je weet maar nooit. Blijf jij hier wachten, dan probeer ik of deze vlonder het houdt tot de overkant."
Alf moet in zichzelf grinniken. Die gekke papa! Hij moest eens weten... Maar Alf blijft gehoorzaam staan en kijkt hoe vader naar het eiland loopt.
"Wacht! Ik kom je halen!" roept vader en loopt voorzichtig terug. "Blijf achter me en kijk uit, dat je niet uitglijdt!" waarschuwt hij.
Voorzichtig schuifelen ze over de vlonder en behoedzaam zoeken ze hun weg tussen het groen.
"Dit lijkt wel een paadje," merkt vader op. "Wel wat breed. Ik vraag me af, wat voor dieren hier lopen. Het lijkt wel een wildpad... Ja hoor, dit was de kruidentuin! Moet je kijken, Alf; het barst hier van de Boerenwormkruid! Wat een hoge! Zo hoog heb ik ze nog nooit gezien!"
"Toen ze..-" begint Alf. Toen ze kleiner waren, wilde hij gaan vertellen. Hij houdt zich nog net op tijd in.
Vader lijkt er geen aandacht aan te schenken. Hij loopt enthousiast van de ene naar de andere groep planten.
"Mm, wat ruikt die citroenmelisse lekker!" roept hij uit en "Wat een mooie salie!" en "Hoe heten deze hoge ook weer? Die zie je bijna nergens meer!"
Vaders enthousiasme werkt aanstekelijk.
"Bij de poort staan mooie!" roept Alf uit. Hij loopt naar de dubbele rij hagen, die aan het eind van de kruidentuin een soort poort vormen. Met Thamar heeft hij daar een keer verstoppertje gespeeld. De hagen staan er in kronkelige lijnen. Ze zijn helemaal in elkaar gestrengeld, maar ertussen zijn klinkerpaadjes, waarop je kruipend je weg kan vinden, doordat de onderkant van de hagen wat kaal is.
"Verhip! De oude doolhof!" roept vader blij verrast uit.
"Een doolhof?" vraagt Alf. "Wat is dat nu weer?"
Hij wacht niet op het antwoord en kruipt al onder de hagen door.
"Niet doen Alf! Kom terug! In een doolhof kun je verdwalen en deze is ook nog zo doorgewoekerd!"
"Pak me dan!" roept Alf lachend en kruipt zo snel hij kan weg, net als met Thamar, een tijdje geleden.
"Kom nou terug!" roept vader, streng nu.
"Pak me dan! Als je kan!" lacht Alf weer, die wel doorheeft, dat het voor vader veel moeilijker zal zijn om onder de hagen door te kruipen.
"Ik denk er niet aan! Straks zijn we allebei de weg kwijt!" roept vader boos. "Kom terug, Alf!"
Het klinkt menens. Alf weifelt. Dan ineens, een hevig gekraak... Daar voelt hij vaders hand aan zijn broekspijp.
"En nu terug, dekselse aap!" moppert vader. "Dit is geen leuk grapje. We moeten hier weg! Kom op!" Hij trekt aan Alfs broek. "Straks scheurt-ie!" roept hij uit. Alf kruipt zo goed en zo kwaad als het kan, achteruit terug.
Ze zijn weer in de open lucht.
"Het was net zo leuk!" sputtert Alf.
"Met doolhoven moet je geen grapjes maken," vindt vader. "En deze zeker niet, want die is helemaal vergroeid. Straks zit je ergens vast en weet je niet meer hoe je eruit moet! Grote mensen kunnen erin verdwalen, dus kinderen zeker!"
Die laatste opmerking is Alf teveel.
"Met Thamar verdwaalde ik er ook niet!" Het is eruit, voor hij het weet. Hij wil doorlopen, maar vader pakt hem bij zijn schouder.
"Wie is Thamar?" vraagt hij.
Alf bijt op zijn lip.
"Wie is Thamar?" vraagt vader weer. Hij draait Alf naar zich toe. Alf kijkt naar zijn voeten.
"Was je hier met Thamar?" vraagt vader streng. "Wie is Thamar?"
Alf bijt nog harder op zijn onderlip, die enorm begint te trillen.
"Kijk me aan, Alf! Met Thamar was je hier ook, zei je?!"
Alf begint te huilen.
Vader zakt door zijn knieën. Alf draait zijn hoofd af, hij durft zijn vader niet aan te kijken. Die pakt zijn kin en zegt: "Kijk me eens aan, Alf. Vertel me eens eerlijk: kom je toch op dit terrein?"
Alf huilt nu heel hard.
"Je doet zo boos!" snikt hij.
Vader slaat zijn armen om hem heen.
"Ik ben niet echt boos. Meer geschrokken," zegt vader, wat zachter nu. "Weet je wel, hoe ongerust we de laatste tijd vaak zijn geweest? Toen je niet thuis kwam, die keer, het ergst. Maar ook andere keren. Je blijft vaak zo lang weg, terwijl we niet weten, waar je bent. En als je thuis komt, vertel je ons niets. Dan ga je naar het terrein, is het niet?"
Alf snikt nog steeds.
"Het is hier zo mooi," fluistert hij. "Net oerwoud."
"Maar ook heel gevaarlijk! Dat weet je toch?"
"Maar jij wil nooit mee!"
Vader aait Alf over zijn bol. Alfs snikken houdt op, maar nog steeds stromen de tranen. Oh, wat zou hij graag alles vertellen..!
"Dat was misschien dom van me," begint vader. "Maar ik ken jou. Ik dacht, als we samen gaan kijken, dan krijg je misschien de smaak te pakken. Het blijft een gevaarlijk terrein. Oké, hier ligt een vlonder waar we overheen kunnen lopen. Maar dat is niet overal zo. En er zijn echt moerassen waar je in verzeild kunt raken. En wat dan? Als je daarin raakt, of in je eentje in zo'n doolhof vast komt te zitten, wie zou je dan moeten helpen? Er komt hier toch niemand?!"
Alf begint weer harder te huilen.
"Nietwaar!" snikt hij.
"Nietwaar? Bedoel je weer de mensen met honden? Maar we zijn hier al een hele poos en ik heb maar éen meneer met een hond gezien, en dat was nog buiten het hek ook! Maar als ik het goed begrijp, Alf, ga je hier dus toch heen, ondanks dat we het je verboden hebben?!"
Alf weet niet, wat hij moet zeggen. Met de rug van zijn hand veegt hij zijn neus af.
"Nou, wees eens eerlijk!" dringt vader aan.
Alf veegt door aan zijn neus, haalt hem flink op en slikt met een hikkerig geluid wat van zijn verdriet en schaamte weg.
"Hier!" Vader reikt hem een papieren zakdoekje aan. Alf veegt ermee over zijn ogen.
"Nou, vertel eens eerlijk: kom je hier vaker, jaoftenee?"
Alf knikt.
Vader zucht.
"Ik dacht, dat ik je kon vertrouwen," zegt hij zacht. "Ik dacht, dat we elkaar altijd konden vertrouwen." Zijn stem klinkt treurig.
Alf weet niet, wat hij moet zeggen. O, wat wil hij zijn vader juist graag in vertrouwen nemen. Hem alles vertellen, ook over het geheime dorp. Maar hij durft niet. Hij heeft het beloofd! Maar hij had ook beloofd, dat hij niet meer naar het terrein zou gaan... En nu vertrouwt vader hem niet meer...
"Ik was bang, dat je boos werd!" brengt hij met moeite uit en huilt weer harder.
"Natuurlijk word ik dan boos! Boos, omdat ik ongerust ben! Boos, omdat, als ik niet boos word, je misschien ik-weet-niet-wat kan overkomen! Wij willen jou niet kwijt! Snap je dat!?"
Alf knikt, snikgeluiden makend als een varkentje.
"Dacht je nu heus, dat wij het niet merken, als je jokt?" gaat vader verder. "Wij kennen je beter, dan wie ook. En we horen natuurlijk ook wel eens wat van andere mensen."
Alf schrikt. Meta! denkt hij. De man met de hond!
Maar vader vraagt: "Wat heb je gedaan, die dag, dat de andere kinderen van je klas met de brandspuit gingen spelen?"
Alfs hart probeert of het in zijn keel kan springen.
"Eh, eh," hakkelt hij.
"Ook naar het terrein?" vult vader in.
Alf knikt weer.
"Tjonge, jonge..." Vader zucht diep. "Ik had nooit gedacht, dat jij zo erg kan jokken." "Je mag niet jokken en je moet toch jokken..." Het liedje, dat hij met Thamar heeft bedacht, komt in Alfs hoofd. Bibberig begint nu ook Alf te zuchten. Hij schaamt zich. Zo erg, dat hij alleen al daarom niets durft te zeggen.
"Hoe moet dat nu met ons?"
Ze staan samen te zuchten. Alf durft vader nog steeds niet aan te kijken.
"Hoe kan ik je weer vertrouwen?"
Met een bibberig stemmetje fluistert Alf: "He-het sp-spijt me, pap."
"Nou, dat is tenminste wat," zegt vader. Hij slaat een arm om Alf heen. "Kom, laten we maar naar huis gaan."

Als ze thuis komen, staat moeder in de keuken.
"Nou nou! Jullie hebben zeker wel lol gehad. De kruidenthee is al bruin van het wachten op jullie," zegt ze lachend.
Maar dan ziet ze de twee gezichten. Alf met traanvegen, vader met een frons tussen zijn wenkbrauwen.
"Is er wat?" vraagt ze, bezorgd van de een naar de ander kijkend.
"Dat vertel ik vanavond wel," zegt vader.
Niet begrijpend kijkt ze hem aan.
"We zijn op het terrein geweest," zegt vader.
Moeder laat van schrik een lepel vallen.

Wanneer Alf 's avonds in bed ligt, praten Jaco en Maria lang met elkaar.
"Ik moet er niet aan denken, wat er allemaal had kunnen gebeuren!" zegt Maria als Jaco het hele verhaal heeft verteld. "Maar goed, nu weten we tenminste wat hij uitspookt! Wat zoekt zo'n jong daar toch?"
"Toen ik klein was, vond ik wild terrein ook het fijnst. Je kon er alleen zijn, zonder dat je je alleen voelde. Dan lag ik uren op mijn buik naar insekten te kijken. Ik kan me nog vlijmscherp herinneren, hoe de grond rook, als het geregend had," vertelt Jaco. "Waar kun je dat nog, alleen in de natuur zijn? Het is park of recreatiegebied, alles boordevol mensen!"
"Jaja, verdedig hem maar. Zo vader, zo zoon!
Maar hij heeft dus gezegd, dat het hem spijt? Dat is tenminste wat! Maar wat moeten we er nu mee? Heb je hem goed verteld, hoe gevaarlijk het daar is? Je bent ook gek ook, dat je met hem dat terrein bent opgegaan!"
Jaco haalt zijn schouders op. "Dat moest er toch eens van komen?!" zegt hij verongelijkt. "Wees blij! Nu weten we tenminste, wat Alf voor ons verborgen hield."
"Jaja. Maar dat wist je ook niet van tevoren! Wie weet wat hij nog meer uitspookt! Want wie noemde Alf nou? Die naam heb ik nog nooit gehoord."
"Thamar of zoiets."
"Ik ken geen Thamar. Er zit niemand met die naam op zijn school en hier in de buurt ken ik ook niemand, die zo heet," zegt Maria nadenkend.



Klik hier voor het volgende hoofdstuk ==>