Alf voelt zich ellendig.
Hij moet steeds denken aan het uitstapje met zijn vader naar het terrein.
Ik had het moeten zeggen! Ik moet het zeggen! denkt hij steeds. Maar hij heeft Peti en Jaap en Thamar beloofd, dat hij niets zou zeggen... Al dat gejok, al dat niet zeggen...
Hij slaapt heel onrustig.
's Ochtends is hij vroeg wakker, maar hij kruipt diep weg onder de deken. Hij wil niet opstaan, niet zijn moeder zien, niet zijn vader. O, hij voelt zich zo'n jokkebrok.
Hij wil niet meer liegen, steeds op moeten letten, wat hij zegt. Hij is het zat, geheimen te moeten hebben...
Moeder komt zijn kamer in, schuift de gordijnen een stukje open.
"Hé, wat lig jij er gek bij! Ben je nog niet wakker?" Ze aait over de bobbel onder de deken. "Je bent er toch wel?" grapt ze.
Alf houdt zich stil. Dat spelletje speelden ze eerst heel vaak. Moeder aait nog wat over de bobbel. "Kom op joh, opstaan, de pap is bijna klaar."
"Pap!" roept Alf blij uit. Hij gooit de deken van zich af.
Moeder loopt de kamer alweer uit. Jammer, Alf had nog willen knuffelen. Teleurgesteld blijft hij liggen.
"Alf! De pap wordt koud!" roept moeder even later.
Nu moet hij wel, anders wordt ze saggerijnig, weet Alf.
Op tafel staat een kom havermoutpap te dampen.
"Goeiemorgen!" zegt vader met nadruk. "Jij hebt zeker goed geslapen!"
"Nee," zegt Alf.
"O?" vraagt vader. "Hoe komt dat?"
Alf voelt zijn jokkebrok-gevoel. Hij wil er wat over zeggen, hij wil zoveel zeggen, maar hij weet niet hoe, hij weet niet wat. Hij staart in de havermout.
"Ik denk, dat ik het weet," zegt moeder. "Vertel eens Alf, heb je spijt, dat je tegen ons gejokt hebt over het terrein?"
Alf knikt. Nu kan hij het zeggen! Nu moet hij het vertellen..!
Maar moeder zegt: "Beloof je nu, dat je er nooit meer heen gaat? En dat je niet meer jokt?" Ze zegt het heel dwingerig, heel streng.
Als hij nu ook nog vertelt van Thamar, van het dorp... Dan wordt ze vast heel boos... Hij krijgt het er benauwd van.
"Nou..?" Moeders stem gaat een beetje omhoog. Niet tegenspreken betekent dat.
Alf kijkt naar zijn vader. Die kijkt ook al zo donker.
"Nou?! Beloof je dat?"
Alf haalt een bibberige zucht.
"Eh, eh," doet hij en voelt hun ogen prikken.
"Ja mama," zegt hij dan zuchtend.
De havermout smaakt niet.
De dagen die volgen, is het bij Alf thuis heel druk.
Er moet van alles klaargemaakt worden voor hun kampeervakantie.
De tent wordt nagekeken, de luchtbedden op lekken gecontroleerd, van alles en nog wat ingepakt en Alf moet steeds met vader mee om spullen te kopen.
Hij moet ook speelgoed en boeken uitzoeken om mee te nemen, kleren inpakken, zijn kamer goed opruimen.
Hij heeft er allemaal weinig zin in. Liever ging hij naar Thamar, maar hij durft niet eens te denken over een manier om weg te komen.
Als zaterdags een vriend van zijn ouders met de auto komt om hen weg te brengen, krijgt het avontuurlijke van de reis hem toch een beetje te pakken. Naar de zee en de duinen, daar is hij maar een paar keer in zijn leven geweest en dat was dan ook maar voor een dagje.
De camping in de duinen is heel groot.
Ze moeten voor een winkel een poosje wachten op een meneer met een jeep, die hen voorrijdt naar hun plekje. Helemaal aan het eind van de camping.
"Pff, dat wordt ver lopen als we naar het strand willen," klaagt moeder.
"Maar dit is het rustigste stuk van de camping," zegt vader. "Ver weg van de disco, de auto's en wat er allemaal nog meer is."
Waar ze terecht komen, is eigenlijk een tweede camping, een kleine, een beetje apart van de rest. Het ligt in een duinkom.
"Dit is voor natuurkampeerders," legt de man met de jeep uit. Er zijn geen lantarens, auto's mogen er alleen komen om de kampeerspullen uit te laden of in te pakken en de was- en toiletgelegenheid wordt niet verlicht. "Dat is beter voor de dieren," zegt de man.
Alf helpt met het opzetten van de tent. Hij mag de haringen met een grote rubber hamer in de grond slaan. Die haringen zijn geen vissen, maar grote houten pennen, speciaal voor het in zand vastzetten van een tent.
"Wat een geluk, dat we de fietsen op een aanhanger mee konden nemen," zegt moeder. "We zitten hier ook ver van de campingwinkel. Daar kunnen we dan tenminste op de fiets naartoe."
Ze doet het meteen om limonade te halen en verse groenten voor het avondeten. "Dan hebben we vanmiddag misschien nog tijd om een strandwandeling te maken."
Maar als hun vriend na het eten van boterhammen vertrokken is, wil moeder nog meer uitpakken. Ze wil alles in de tent een vast plekje geven. De bedden oppompen, een waslijn spannen.
"Wat een onzin," zegt vader. "Je gaat toch zeker niet meteen vandaag al wassen! Ik wil de zee zien, wat jij, Alf?"
Daar heeft Alf best zin in. Moeder klaagt, dat ze veel te moe is om dat eind te lopen.
Dus gaan ze met zijn tweeën.
Ze moeten een heel lang pad langs de camping af, dan nog een pad door de duinen. Het laatste stuk is moeilijk lopen. Het is een smal paadje, met zacht zand waar je voeten in wegzakken. Alf voelt aan zijn knieën, dat ze klimmen.
Dan hoort hij geruis. Het begint ook flink te waaien.
Als ze bovenop de top van de laatste duin komen, zien ze de zee en het strand beneden hen liggen.
"Jippie!" juicht Alf en rent uitgelaten naar beneden. Zijn voeten zakken diep weg in het rulle zand, hij valt erdoor, rolt van het duinpad af. Lachend, van top tot teen onder het zand, komt hij onderaan weer overeind. Hij wil zo de zee in hollen.
Vader roept hem terug. "We hebben geen handdoek bij ons!" waarschuwt hij. Maar dat kan Alf niets schelen. Hij trekt haastig zijn kleren uit en rent, poedelnaakt, de zee in.
Vader moet er om lachen. Hij heeft spijt, dat hij geen zwembroek heeft meegenomen.
"Kom er ook in, pap!" roept een kletsnatte Alf hem toe.
Vader kijkt om zich heen. "Ik zou wel willen," roept hij terug. Maar het is helaas geen naaktstrand. Blote kinderen, daar maalt niemand om. Maar blote grote mensen kan helaas niet overal, denkt hij spijtig.
Ze genieten van hun vakantie. Het is bijna elke dag prachtig weer, heel heet zelfs. Alleen moeder klaagt, dat het soms zo erg waait. "Bah, al onze spullen zitten onder het zand," klaagt ze dan. Als het erg waait, wil ze niet naar het strand.
"Tja, aan zee waait het nu eenmaal meer dan in het binnenland," zegt vader laconiek. Maar om moeder een plezier te doen, maken ze op de dagen, dat het erg waait, uitstapjes landinwaarts.
Dan fietsen ze door de duinen of brengen een bezoekje aan een plaatsje in de omgeving.
De duinen zijn heel stil.
Alf wandelt een keer een hele middag met vader door de duinen. Ze zien heel veel. Herten, vogels, konijnen, hazen. Maar weinig mensen. Ze komen er maar twee keer een paar tegen.
Alf vindt veel in de duinen. Prachtige kronkelstokken, mooie veren, een verse denneappel, die pas open gaat als Alf hem in de zon legt en nog veel meer moois.
Maar het fijnste vindt Alf het strand.
Hij bouwt er prachtige zandkastelen.
Een keer bouwt hij een fort, pal bij de waterlijn. Hij graaft er een gracht om en maakt een kanaaltje naar het zeewater. Met allemaal trappetjes, net als bij de sluizen op het terrein. Hij zet er ook plankjes in. Als het vloed wordt, probeert Alf het water tegen te houden met de plankjes. Een beetje lukt het, maar dan sijpelt het water erlangs.
"De sluizen zijn leuker," zegt hij en kijkt hoe het zeewater zijn trappetjes wegspoelt.
"Welke sluizen?" vraagt vader.
"Alf zucht. "Als ik dat zeg, word je weer boos."
"Bedoel je die grote zeesluizen, daar in de verte?"
"Die heb ik nog niet gezien. Ik bedoel die op het terrein."
"Ben je dáar helemaal geweest?" schrikt vader. "Tjonge Alf, dat is wel heel ver het terrein op."
"Zie je wel, nu doe je alweer boos!" zegt Alf.
Vader herinnert hem nog een keer aan wat hij beloofd heeft. "Maar als jij sluizen zo leuk vindt, kunnen we morgen de echte, grote sluizen van dichtbij gaan bekijken."
Daar komt helaas niets van.
De volgende dag is het zo heet, dat zelfs vader geen puf heeft om naar de zeesluizen te fietsen.
Ze zoeken verkoeling bij de zee.
Op het strand is het iets drukker dan anders, maar toch rustig.
"Een echte hittegolf!" verzucht moeder.
"Wij zitten goed," zegt vader. "Moet je in de verte eens kijken." Een eind verderop ziet het strand zwart van de mensen.
Alf en vader wandelen een stuk langs het strand.
De mensen liggen er bijna handdoek aan handdoek, stoel aan stoel.
"Pff, wat een drukte hier!" zegt Alf. "Waarom is het bij ons zo rustig? Daar snap ik niks van."
"De meeste mensen aan zee, zijn dagjesmensen. Die proberen met de auto zo dicht mogelijk bij het strand te komen en hebben dan geen zin meer, om een eind te gaan lopen. Dat stuk strand, waar wij komen, ligt ver van de weg af."
"Nou, ik ben blij, dat ik hier niet zit," zegt Alf. "Moet je kijken, er is geeneens plek om een fort te bouwen."
"Maar je kunt hier wel ijsjes kopen!" zegt vader.
Met een zalig groot ijsje lopen ze even later met hun voeten door het water terug.
Moeder zit een krant te lezen.
"Moet je horen," zegt ze. "Door de hittegolf is er overal tekort aan drinkwater. Nergens mogen meer tuinen gesproeid worden of auto's gewassen. De regering vraagt iedereen met klem, zo zuinig mogelijk met water te zijn."
"Arme plantjes," zegt Alf.
"Groenten mag je wel water geven hoor," zegt vader. "Je denkt toch niet, dat je eten hoeft te laten doodgaan? Dat kunnen de boeren toch ook niet doen?!"
"Nee maar!" roept moeder uit. "Wat zijn ze toch stom! Hier staat iets over het terrein bij ons!" Alf spitst zijn oren.
"Niet te geloven. Ze zijn er nu pas achter, dat er nog steeds leidingwater naar het terrein gaat. Duizenden en duizenden liters water spoelen daar al jaren voor niets zomaar weg. Pas nu is er iemand, die daar aan gedacht heeft en wordt die leiding afgesloten. En dat, terwijl schoon water steeds duurder en schaarser wordt. Snap je nu zoiets slordigs!?"
Alf schrikt.
"K-komt er nu geen water meer op het terrein?" vraagt hij bleekjes.
"Nee, want waar was dat nog voor nodig?"
|