Alf gaat die avond laat naar bed.
Hij hoeft pas naar bed als het donker wordt. Als hij in zijn slaapzak is gekropen, kan hij de slaap niet vatten. Het is nog steeds heel warm.
"Pap, hoeveel dagen is het nog, voor we naar huis gaan?" vraagt hij door het doek van de slaaptent heen.
"Nog drie nachten slapen."
"Pff, lang zeg!"
"Deze nacht heb ik meegeteld."
"Pff," blaast Alf.
"Als je het zo warm hebt, kun je beter op je slaapzak gaan liggen," zegt moeder.
Alf doet het. Hij zweet helemaal.
"Pff," doet hij weer. "Pff."
"Wil je een nat washandje?" vraagt moeder.
"Ik heb het niet warm."
"Waarom blaas je dan zo?"
"Ik moet steeds aan Thamar denken."
Vader ritst de slaaptent open. "Je vindt haar heel aardig hč."
"Ze is mijn beste vriend."
"Zo zo, ik wil haar ook wel eens zien."
"Dat kan niet. Ze mag niet van het terrein af."
"Maar wij kunnen er toch heen? Jij weet de weg door het moeras, heb ik begrepen."
"Wil je er dan heen? Hoi!" zegt Alf. Maar dan bedenkt hij zich. "Oh jee! Dat kan niet! Dan weten ze meteen, dat ik me niet aan de afspraken gehouden heb!" Zijn door de zon verbrande wangen worden nog roder.
"Ik denk," zegt vader peinzend, "dat dat niet erg is. Dat begrijpen ze vast wel. Ik ga ook niet zomaar op bezoek."
"Niet zomaar? Waarom dan?"
"Dat weet ik nog niet precies. Maar als het waar is, wat er in de krant staat en wat jij hebt verteld, dan denk ik, dat ze best hulp kunnen gebruiken, daar in dat dorpje."
"Wat dan?"
"Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we zien, hoe ze het vinden als ik daar kom. Weet je nog, wat mam zei? Over wat er kan gebeuren als je een geheim vertelt?"
Alf knikt. "Dat snap ik niet goed."
"Je moeder bedoelde, dat het ook goed kan zijn een geheim wel te vertellen. Als je hulp nodig hebt, bijvoorbeeld."
"Gaan we morgen?"
"Dan zijn we nog hier. Zullen we afspreken, dat we die Thamar van jou opzoeken, zodra we weer thuis zijn?"
Dat hoeft vader geen twee keer te zeggen.
"Volgens mij pap, ben jij hartstikke nieuwsgierig," grinnikt Alf.
"Dat kan best kloppen," lacht vader.
Alf kan bijna niet wachten, tot de vakantie aan zee afgelopen is.
Hij stelt zich voor, hoe het zal zijn, om met zijn vader naar het geheime dorp te gaan. Zullen ze daar schrikken? Zullen ze boos op hem zijn?
"Nemen we limonade mee?" vraagt hij aan vader.
Vader begrijpt hem verkeerd. "We nemen toch altijd limonade mee naar het strand?"
"Nee, naar het terrein, als we naar Thamar gaan!"
"Dat lijkt me een goed idee."
"En sinaasappels?"
"Jawel! Neem een hele tas boodschappen mee!" spot moeder.
Het is nog steeds heel warm. Er staat vandaag geen wind, zelfs niet uit zee.
"Niet zoveel tegelijk drinken, Alf!" waarschuwt vader. "Dan koel je te snel af en bovendien krijg je dan nog meer dorst."
"We hadden beter thee mee kunnen nemen. Dat helpt met deze temperatuur beter tegen de dorst," merkt moeder op.
"Thamar drinkt altijd thee. En ze krijgt maar om de dag een kommetje melk," bedenkt Alf zich.
"Mm, voor thee heb je water nodig," mompelt vader.
"Begreep jij uit dat bericht in de krant, Maria, of de waterleiding al was afgesloten? Of moest dat nog gaan gebeuren?"
"Dat werd me niet zo duidelijk," antwoordt moeder. Ze zit weer met haar neus in een krant.
"We treffen het toch maar, dat we nu hier zijn. Moet je kijken!" Ze laat foto's zien van zwembaden, waar het krioelt van de mensen. "De hittegolf houdt nog aan. Maar volgens de weerberichten slaat het weer in het weekend om. Nou, van mij mag het, ik vind dit echt te heet."
Alf houdt wel van warm weer. Maar van zulk warm weer als dit, word je wel moe, merkt hij.
De zee is lekker. Van het spelen in het water wordt hij niet moe. Jammer genoeg zijn er nu niet van die hoge golven. De kleine golfjes zijn alleen leuk, als je op je buik gaat liggen.
Samen met vader of moeder mag hij in dat rustige water wel echt zwemmen. Of met de bal spelen of zijn opblaas-dolfijn.
"Niet te ver!" zeggen zijn ouders steeds. Dat vindt hij maar onzin; hij kan toch zwemmen!
Maar vader vertelt over grote mensen, die nog beter kunnen zwemmen dan Alf en toch door de strandwacht worden teruggehaald omdat het zo gevaarlijk is om ver de zee in te gaan. Alf ziet de strandwacht, die met een snelle boot steeds heen en weer vaart.
Alf heeft een emmer vol schelpen verzameld.
"Als we terug zijn, geef ik er een paar aan Thamar," neemt hij zich voor. "Die kan nooit naar zee."
Hoe fijn het ook is aan het strand, Alf blijft geregeld aan Thamar denken. Zijn ouders merken het.
En Alf merkt, dat zijn ouders samen over het terrein praten. Als hij een keer terugkomt uit het water, hoort hij zijn moeder zeggen: "Maar als Frank daar echt is, moeten we dat dan niet vertellen?"
"Frank had toch gezegd, dat hij weg zou gaan," vindt vader.
"Dat wel, maar nu weten ze niet eens of hij leeft en Robert mist-.." Ze breekt haar zin af als ze merkt dat Alf luistert.
"Roberts vader heeft Thamar een heel mooi sprookjesboek gegeven," zegt Alf.
's Avonds in de slaaptent hoort Alf het praten van zijn ouders, die met een olielampje voor de tent zitten.
"Misschien kunnen we beter morgenavond teruggaan. Dan is het ook niet zo heet," zegt moeder. "Kun je Joop nu niet gaan bellen, om te vragen of hij ons dan kan komen halen?"
Alf draait zijn duimen en wenst dat Joop dat kan. Tevreden valt hij in slaap.
De volgende morgen vertelt moeder dat ze vandaag naar huis gaan. "Dat vind je toch niet erg?" vraagt ze. Alf is juist blij.
"Hoi! Gaan we dan meteen naar Thamar?"
Vader moet lachen. "Tuurlijk niet, joh. We komen pas thuis als het al bijna donker is."
"Morgen dan?"
Vader denkt even na. "Oké! Morgen!"
Weer thuis krijgt Alf de kriebels van zijn ouders.
Voor hij naar bed gaat, lopen ze al met van alles te sjouwen.
Als hij de volgende ochtend opstaat, zijn ze daar nog steeds mee bezig, lijkt het wel.
Ze draven door het huis met kampeerspullen. Alf moet helpen een deel van die spullen naar de berging onder in de flat te brengen.
Moeder sjouwt met was heen en weer, vader met kamerplanten.
Bij de koffie hebben ze geen tijd voor Alf, want ze moeten de stapel post die in de vakantie is gekomen, lezen, en hup, daarna gaan ze weer aan de gang.
Moeder loopt te draven met stofzuiger en doeken, onderwijl mopperend op de poezen, die volgens haar zo'n troep hebben gemaakt terwijl ze weg waren.
Vader wil kijken hoe de tuin er bij staat.
"Gaan we nu nog?" vraagt Alf voor de zoveelste keer.
Maar vader draaft weg met boodschappentassen richting het winkelcentrum.
"Nou hoor! Ik ga wel alleen!" moppert Alf tegen zijn moeder.
"Niks daarvan! Dat hebben we niet afgesproken!" protesteert moeder ferm.
"Maar het is allang middag!" zeurt Alf.
"Pak jij nu maar die tas in, die je voor Thamar wilt meenemen."
"Dat heb ik allang gedaan!"
"Mooi! Dan kun je me helpen deze was op te hangen."
Bah, daar heeft hij helemaal geen zin in.
"Pap, gaan we nou nog?" bedelt hij, als zijn vader hijgend met twee volle boodschappentassen terugkomt.
"Alf, zeur niet zo!" zegt moeder geďrriteerd.
"Hoe laat is het?" vraagt vader.
"Heel laat!" vindt Alf.
Vader kijkt op de klok. "Pas twee uur, dat valt mee."
"Dan is de middag al bijna om!"
"Heb je die tas al ingepakt?" vraagt vader ook al.
"Ja-a."
"Ook de limonade?"
Die moest vader eerst kopen. Alf stopt twee pakken sinaasappelsap in de plastic tas. Pff, die tas is nu wel heel zwaar!
"Nou, vooruit dan maar. Ik wil nog even wat drinken en dan gaan we," zegt vader, eindelijk.
Alf staat al bij de lift, zeulend met de zware tas.
"Geef mij die maar. Wat heb je er in vredesnaam allemaal ingestopt?"
|