"Niemand mag ons zien, hoor!" zegt Alf, als ze bij het gat in het hek komen. Hij voelt zich trots. Nu moet hij zijn vader van alles uitleggen, in plaats van vader hem. Maar als ze bij het moeras komen, is zijn trotse gevoel verdwenen. Hij vindt het nog steeds eng om daar doorheen te moeten. En hij is bezorgd hoe de mensen in het dorp het zullen vinden, dat hij zijn vader meeneemt.
Vader vindt het moeras kennelijk ook eng, want hij vraagt:
"Je weet toch echt wel hoe we lopen moeten?"
"Je kunt het zien." Alf vertelt vader, wat hij van Jaap en Thamar heeft geleerd, waar je op moet letten.
"En anders neem je een duiksprong!" papagaait hij lachend Thamar na.

Als ze bij de heuveltjes komen, is er niemand te zien.
Alf roept. "Oehoe! Héla! Oehoe! Hallo?"
Er komt niemand.
"Dit lijkt niets op een dorp," zegt vader. Hij kijkt onderzoekend om zich heen. De grond is vrij kaal, rond de heuveltjes lopen rommelige paadjes. Ergens blaat een schaap.
"Ze hebben je gezien," denkt Alf.
Hij vindt het een beetje griezelig, deze stille plek. Net als de eerste keer, toen hij hier alleen heen ging. Hij wil naar het holhuis van Thamar lopen.
"Misschien zijn ze wel boos," twijfelt hij.
Vader voelt zich ook wat ongemakkelijk. Maar hij zegt: "Dat merken we dan vanzelf wel. Kom op, laten we je vriendin gaan zoeken."
Ze lopen naar het heuveltje, dat het huis van Thamar is.
Vader merkt op, dat elk plantje dat hij ziet, elke struik, op de een of andere manier eetbaar is.
Alf klopt aarzelend op de lage deur.
Er komt geen geluid.
"Oehoe! Ik ben het! Alf!" roept hij door de deur. Weer geen reaktie.
"Laat mij maar," zegt vader en probeert of de deur open gaat.
Het lukt maar een klein stukje.
"Ik ben Alfs vader!" roept hij door de kier.
Ze horen een zacht geluid. Alsof er iemand snikt.
De deur zwaait open. Jaap staat in de deuropening. Zwijgend kijkt hij hen aan.
Vader weet niet zo goed wat hij moet doen of zeggen. Alf staat er bedremmeld bij. Jaap kijkt zo nors, zo heeft hij hem nog nooit gezien.
"Alf?" klinkt het zachtjes. Alf probeert langs Jaap de donkere ruimte in te kijken, maar hij ziet haar niet.
"Thamar?"
"Ach, laat ze toch binnen!" klinkt de stem van Peti.
Jaap gaat opzij. "Ze is ziek," bromt hij in zijn baard.
Thamar ligt achterin het hol op haar bontgekleurde kussens.
"Hoi," zegt ze zachtjes. "Waar bleef je nou?"
"Eh, ik eh, ik was naar zee. Met vakantie," zegt Alf verlegen. Dan, enthousiast: "Ik heb schelpen voor je meegebracht! Pap, geef de tas eens!"
Zijn vader staat nog bij de ingang, zwijgend tegenover de vader van Thamar. Alf let er niet op. Hij graait de tas.
"We hebben van alles meegenomen!" Hij haalt het één na het ander uit de tas, zet het haastig op de grond. "Sinaasappelsap, sinaasappels, spijkers, stripboeken, viltstiften, kladblok, mijn computerspelletjes," somt hij op. "En daar: Taratata!" Onderuit de tas haalt hij met enige moeite een zware schoenendoos tevoorschijn. "Moet je kijken joh!" Thamar zit al overeind. "Allemaal op het strand gevonden!"
"Wat zijn dat voor griezels?" vraagt Thamar. "Ik zie het niet goed."
"De kaars! Waar is de kaars? Dan kun je het beter zien."
Alf loopt al naar de tafel.
"Voorzichtig Alf! Steek de kussens niet in de fik. Of Thamars haren," waarschuwt Peti. Ze gaat op haar hurken bij hen zitten, bewondert de bontgekleurde schelpen. "Tjee, een roze! En zelfs een scheermesje-schelp!" zegt ze. Ze probeert Thamar uit te leggen waar schelpen vandaan komen. Dat er eigenlijk beestjes in wonen.
"Zitten die er nog in?" griezelt Thamar.
"In de dichte. Ik heb er expres een paar dicht gelaten. Voor jou," zegt Alf tevreden. Thamar probeert een dichte schelp open te krijgen.
"Bllg! Wat stinkt dat!" gruwt ze. "Bllah, nóg glibberiger dan een slak!" roept ze uit als de slijmerige resten van een schelpdiertje zichtbaar worden.
Vader heeft een tijdje naar het tafereeltje staan kijken.
"Wat heeft ze?" vraagt hij dan zachtjes aan Jaap.
"Ze is stiekem naar de plas geweest. Heeft veel water binnen gekregen," zegt Jaap onwillig.
Vader knikt bedachtzaam. "We hebben ondernemende kinderen, begrijp ik." Hij begint Jaap te vertellen over Alf en hoe het komt, dat ze nu samen hier zijn. Peti komt ook bij de zacht pratende mannen.
"Ga toch zitten," nodigt ze vader uit.
De twee kinderen letten nauwelijks op de grote mensen, die daar aan de tafel op gedempte toon met elkaar spreken.
Alf demonstreert zijn computerspelletje. Op het verlichte schermpje probeert een klein mannetje een berg te beklimmen terwijl een grote aap rotsblokken naar hem toegooit.
"Is dat nou een getekende film?" wil Thamar weten.
"Nee joh! Het is geen televisie!"
"Maar het is toch getekend?"
Daar heeft Alf niet over nagedacht.
"Pap, is dit getekend?" vraagt hij. Alledrie de grote mensen kijken om.
"Ja en nee," zegt zijn vader. "Het is wel getekend, maar niet met een pen of zo, maar met een computer."
Thamar snapt er niets van. Alf eigenlijk ook niet zoveel.
"Dit is toch een computer," zegt hij.
Thamar mag het ook proberen. Piep piep, blieb, zegt het computertje snel achter elkaar. Het mannetje is af.
Thamar probeert het nog een keer. En nog eens. "Wat een rotding," zegt ze, maar ze lacht erbij en gaat door met het spel.
"Waarom lig je in bed?" wil Alf weten.
"Ach, niks. Ik moest steeds spugen en poepen, van die heel dunne poep, die je niet kunt ophouden. Het is al bijna over."
"Ah! Reeskak!" grinnikt Alf.
"Reeskak?"
"Ja, als de poep er zo snel uitgaat als een raceauto!"
Ze proesten.
"Ik heb dorst," zegt Thamar.
Alf schrikt. Dat is waar ook!
"Jullie hebben geen water meer, hè?" zegt hij bezorgd.
Thamar kijkt hem verbaasd aan. "Tuurlijk wel! Mam, mag ik drinken?" vraagt ze hard.
Peti komt met een kommetje kruidenthee aanzetten.
Alf snapt er niets van.
"O, dus jullie hebben toch nog water!" zegt hij opgelucht.
"Jullie toch ook zeker!" zegt Thamar kattig.
Alf vertelt van het bericht in de krant, dat zijn moeder voorlas.
"Gek, die krant," vindt Thamar. "Wat doet jouw vader hier eigenlijk? Je hebt geklikt, dat is niet aardig!"
"Nietes!"
"Welles! Want hoe komt hij dan hier, hè?!"
Alf wordt een beetje boos.
"Nietes! Ik dacht dat je dood ging!"
"Haha! Zo ziek ben ik niet hoor."
"Je moet me niet uitlachen!" roept Alf boos uit. "Je kreeg geen drinken meer en als je niet drinkt ga je dood, zegt mijn vader!"
De grote mensen kijken op van het geschreeuw.
"Nou moe!" zegt Thamar verbaasd.
"Doen jullie eens rustig!" zegt Jaap streng. "Laat Thamar maar even met rust, Alf. Kom maar hier. Met een zieke moet je geen ruzie maken."
Door elkaar roepen Alf en Thamar" "Maar ze lacht me uit!" en "Ik ben niet meer ziek!"
Vader komt naar ze toe. "Wat is er nu? Waarom maken jullie ruzie? Net waren jullie nog zo leuk aan het spelen."
"Ze gelooft me niet, van het water!" zegt Alf.
"Dat weet Thamar ook nog niet," legt vader uit. Hij vertelt dat pas sinds de vorige dag geen water meer uit de fonteintjes komt. Dat de mensen in het dorp dachten, dat er iets kapot was. Dat ze aan het uitzoeken zijn, wat er kapot is. En dat er nog steeds flink wat water in de bassins bij de speelsluizen is.
"Zie je wel!" zegt Thamar triomfantelijk.
Maar vader vertelt haar, dat Alf echt bezorgd was. Vooral om haar. Alf krijgt er een kleur van. Hij is bang, dat Thamar hem zal gaan pesten. Maar Thamar zegt niets. Ze gaat achterover in de kussens liggen en zwijgt.
"Wil je mijn stripboek zien?" vraagt Alf.
"Huw, watte?" Thamar kijkt hem verstoord aan.
"Mijn stripboek!"
Thamar luistert niet.
"Vertel dat nog eens, van die krant?" vraagt ze.
"Hè? Waarom?"
"Dáarom! Vertel nou!"
Alf vertelt van de leiding, die al jaren water stuurt naar het terrein en die nu dicht is.
"Dat is net als bij jullie een kraan, hè?" bedenkt ze.
Alf denkt na.
"Eh, nou ja.. Een kraan kun je open draaien."
Thamar springt het bed uit. Rent naar de tafel.
"Kunnen we bij de kraan?" roept ze.
De grote mensen kijken haar niet begrijpend aan. "Welke kraan?"
"Bij de sluizen!"
Jaap zucht. Peti zucht.
"Daar is geen kraan," zeggen ze aarzelend.
"Dan komt er ook geen nieuw water meer!"
"Nee, helaas niet," zegt Peti.
"Dat is erg hè?"
"Nou, nu nog niet," zegt Peti geruststellend. "We moeten alleen een beetje zuiniger zijn met water." Ze glimlacht er een beetje bij. Maar Thamar kent haar moeder goed genoeg om te begrijpen, dat die glimlach iets anders verbergt, iets wat ze Thamar liever niet zegt. Thamar vraagt niet verder en even later kijkt ze met Alf samen in één van de stripboeken die hij heeft meegenomen.
"Mag ik die houden?"
"Eh, nee.Ik wil hem zelf houden. Maar dat kladblok mag je wel houden en die viltstiften ook."
"Goh!" Thamar probeert de viltstiften.
"Niet zo hard drukken joh! Dan gaat de punt kapot."
"Ik heb weer dorst! Ik wil dat sap van jou wel eens proeven."
Als Alf met het pak sinaasappelsap bij de tafel komt, om het open te laten maken, zegt Peti: "Wat een verwennerij! Sinaasappelsap! Dat heb ik lang niet geproefd! Maar Thamar moet helaas nog een dag wachten met proeven. Het is niet goed bij diarree. Maar iIs dat allemaal voor Thamar, of mogen wij ook een beetje?"
"Natuurlijk," antwoordt vader in Alfs plaats. "We hebben twee pakken meegenomen. En echte sinaasappels. Dat leek ons wel lekker met dit warme weer."
"Ik heb er nu al zin in," zegt Jaap.
"Ik wil ook!" roept Thamar.
"Vooruit, een klein slokje dan," geeft Peti toe. Even later zitten ze allemaal te genieten van sinaasappelsap.
Thamar zit weer in een stripboek te lezen.
"Hé Alf, mag ik het houden tot je weer komt?" bedelt ze.
Alf denkt na. Hij weet niet wanneer hij weer komt, óf hij wel weer komt...
"Ik mag niet meer naar het terrein," zegt hij spijtig.
"Maar je bent er nu toch ook?"
"Ja, omdat mijn vader meeging." Hoe moet dat nou? Eigenlijk wel gek; hij mag hier niet komen en hij is er toch...
"Pap, mag Thamar mijn stripboeken lenen?"
"Dat moet je zelf weten, Alf."
"Ja maar, maar ik weet niet of ik ze terug krijg. Ik mag toch niet, niet-"
Vader kijkt naar Jaap, Jaap kijkt naar Peti. De drie grote mensen schieten in de lach. Alf staat zo beteuterd te kijken...
Ineens dringt het tot hem door, dat de drie grote mensen al een poosje heel gezellig zijn. Hij was zo druk met Thamar bezig, dat hij helemaal vergeten was, wat er daarvoor aan de hand was.
"Ik eh, ik heb me niet aan mijn belofte gehouden," zegt hij dan, heel zachtjes, heel verlegen.
"Ja, dat hadden we al lang door!" buldert Jaap met een lach.
Ze lachen allemaal. Behalve Alf.
"Ik vind het heel goed hoor, dat je het je ouders verteld hebt, van ons," zegt Peti. "Wij zouden het ook niet leuk vinden, als Thamar ons niet in vertrouwen nam. En je hebt een aardige vader. We kunnen het best met hem vinden."
Daar is Alf blij om.
"Dus is het geen geheim meer?"
"Nou," begint Jaap, "eerlijk gezegd hebben we het daar de hele tijd over, over ons geheim. Zoals het nu ligt, blijft het ons geheim. Alleen is het nu ook het geheim van jouw vader en moeder."
"Mag ik dan Thamar opzoeken als ik wil?"
"Als je het ons eerst vraagt," zegt vader streng.
"Jippie! Jippie!"
Thamar begint te zingen: "Je mag niet jokken en je kan niet jokken, wég met alle jokkebrokken!"
Het is een vrolijke boel in de holwoning.

Een half uurtje later moeten ze weg.
Ze nemen hartelijk afscheid van elkaar.
"Tot morgen!" zegt Jaap tegen vader.
"Tot morgen!" zegt die terug. Zwaaiend gaan ze op weg naar huis.
"Morgen?" vraagt Alf verbaasd. "Gaan we morgen alweer?"
"Ik wel," plaagt vader.
"Dan wil ik mee!" roept Alf.
"Jij mee? Hoe kom je daar bij?!" maar hij slaat een arm om Alfs schouder.



Klik hier voor het volgende hoofdstuk ==>