Het is voorjaar geworden. Tenminste, dat zegt de kalender.
Maar 's nachts vriest het nog. Alleen midden op de dag is de
grond al een paar keer zacht genoeg geweest om te spitten.
Alfs vader heeft al doperwten in de grond gelegd.
"Ze komen maar niet op," zegt vader als ze weer eens
samen in de tuin zijn. "Ze zijn zeker kapot gevroren."
Hij woelt de grond om met een drietand, harkt het weer voorzichtig
aan. Alf mag nieuwe gedroogde erwten in de grond stoppen. Drie
tegelijk in een kuiltje, naast de hoge stokken, die vader als
een soort wigwam aan elkaar heeft gebonden.
Ze zaaien ook spinazie en leggen, op dezelfde manier als bij
de doperwten, kapucijners in de grond.
Twee weken later komen de jonge doperwtenplantjes voorzichtig
boven de grond kijken. Maar een paar dagen erna zijn ze weer
verdwenen.
"Daar snap ik niets van," zegt vader. Hij staat met
zijn handen in de zij peinzend naar de verdwenen plantjes te
kijken.
"Haha," lacht Alf. "Je kijkt of ze zo weer uit
de grond zullen komen."
"Was dat maar waar, Alf. Ik ben bang dat we het nog een
keer moeten proberen."
Alf graaft voorzichtig met zijn vingers rond de stokken waar
de doperwten tegenaan moesten groeien.
"Kijk pap, een stukje wortel!" roept hij enthousiast.
"Nee Alf, dat is een half vergaan stengeltje van de kompost.
Ik snap er nog steeds niets van. Je zou bijna zeggen dat ze gestolen
zijn..."
"Ja, door de vogels zeker!" grapt Alf.
"Vogels? Daar zeg je wat! Daar zou je best eens gelijk in
kunnen hebben. Het schijnt dat mussen in deze tijd van het jaar
dol zijn op jong groen."
Ze leggen opnieuw doperwten in de grond. Maar dit keer spant
vader er een dun groen net overlangs.
Als een paar weken later de doperwtenplantjes zich om de stokken
beginnen te slingeren, halen ze de netten weg.
"Nu moeten het wel heel grote mussen zijn, willen ze die
plantjes nog uit de grond krijgen," grapt vader.
Alf houdt van wandelen. Tussen het groen van de flats,
maar nog liever gaat hij voorbij de flats. Die staan aan de rand
van de grote stad waar Alf woont.
Er is veel groen voorbij de flats. En grote, brede sloten, sommige
vrijwel dichtgegroeid met waterplanten.
Alf zit graag langs de waterkant. Dan tuurt hij tussen de planten
naar visjes en allerlei andere diertjes in het water. Soms ziet
hij een kikker.
In deze tijd van het jaar speurt Alf naar kikkervisjes.
Vorig jaar heeft hij er een paar met een jampotje uit het water
gevist en thuis in een grote aquariumbak gedaan. Maar toen hun
achterpoten groot en sterk genoeg waren, moest hij de jonge kikkertjes
van zijn vader terugzetten in de sloot. Dat wilde Alf niet. Totdat
er een keer een paar kikkertjes uit de bak waren gesprongen.
Ze vonden ze nooit meer terug...
"Zeker door de katten opgevreten," bedacht moeder.
De overgebleven kikkertjes heeft Alf toen diezelfde dag naar
de sloot teruggebracht.
Dit jaar kíjkt hij alleen naar de kikkervisjes.
Zijn vader heeft hem eens laten zien, hoe je met een beetje geduld
kikkertjes met je hand kunt vangen. Hij zette een kikkertje op
de bovenkant van zijn hand. En zijn andere hand er overheen om
te voorkomen dat het kikkertje wegsprong. Na een minuutje tilde
hij voorzichtig zijn hand op.
"Kijk Alf, hij blijft nu rustig zitten. Hij weet nu, dat
hij niet bang hoeft te zijn," zei vader. Inderdaad was het
kikkertje rustig blijven zitten, tot vader hem voorzichtig tussen
het riet terugzette.
Alf wandelt graag nog verder. Voorbij de flats, voorbij
de sloten. Maar daar stuit hij op hekken. Lange, hoge hekken
waar geen eind aan lijkt te komen.
"Vroeger was daar een grote tentoonstelling van planten,"
vertelt vader als Alf hem vraagt wat er achter die hekken is.
"Toen de plantententoonstelling was afgelopen, heeft de
stad het grote terrein gekregen. Er stonden planten, struiken,
bomen en bloemen uit de hele wereld. Zo was er een Japanse tuin,
een rozentuin, een waterplantentuin, kruidentuin en nog veel
meer.
Maar de stad had, net als nu nog, geen geld om het grote terrein
te onderhouden. Daardoor werd het wilder en wilder. Dat vonden
de mensen niet mooi en daarom is het terrein nu dicht."
Maar Alf houdt juist van planten die lekker wild groeien. Vooral
als ze hoog zijn en hij er tussen kan liggen. Dan droomt hij
soms dat hij alleen op de wereld is. Alleen met de planten en
dieren.
Alf loopt vaak langs de hekken en dan fantaseert hij, hoe hij
door de dichte begroeiing zou lopen. Alsof hij in een oerwoud
was, zichzelf een weg banend met een kapmes.
Als hij op een dag een groot gat in het hek vindt, kan hij het
niet laten er door te kruipen.
De struiken achter het gat zijn uiteen gebogen. Het is duidelijk
dat er wel vaker mensen door het gat gaan.
Dat zijn mensen met honden, ontdekt Alf. De honden rennen uitgelaten
op het terrein rond. Maar de hondenbezitters gaan nooit ver van
het hek vandaan.
Alf de eerste keer ook niet.
Hij is bang dat hij verdwaalt.
Maar de volgende keren gaat hij steeds verder het terrein op.
Hij is een beetje teleurgesteld als hij merkt, dat het voorbij
de dichte rij struiken langs het hek minder oerwoudachtig is
dan hij had gehoopt. Er zijn zelfs vrij open stukken, met hoog
verwilderd gras vol onkruid in de vreemdste soorten, maten en
kleuren. De meeste planten op het terrein heeft Alf nog nooit
eerder gezien.
Hij vindt het heel spannend op het terrein. Een beetje eng ook...
het is er zo stil. Al lijkt het niet echt op een oerwoud, het
is er toch zo wild begroeid, dat hij er makkelijk zou kunnen
verdwalen. Daarom loopt hij er altijd heel langzaam, zodat hij
goed kan zoeken naar punten, die hij kan onthouden. De eerste
keren telt hij zelfs zijn passen vanaf de plek waar hij het hek
niet meer kan zien. Maar doordat de begroeiing steeds heel verschillend
is, kan Alf de weg goed onthouden.
Als Alf al vaak op het terrein is geweest, vertelt hij
een keer onder het eten hoe mooi hij het daar vindt.
Zijn vader en moeder kijken geschrokken.
"Dat mag niet, Alf! Je mag daar niet komen!" zegt zijn
moeder streng. "Het is daar veel te gevaarlijk!"
"Nee hoor. Het is er hartstikke mooi!" werpt Alf tegen.
Maar zijn ouders houden vol, dat ze niet willen hebben dat hij
op het terrein komt. Alf vindt het maar onzin.
"Ik let echt goed op, dat ik niet verdwaal hoor!" zegt
hij verongelijkt.
"Daar gaat het niet om," verzucht vader.
"Er zijn ook moerassen op dat terrein, Alf. Die kun je niet
altijd zien. Voor je het weet, zou je er in vast komen te zitten.
En dan is er niemand die je hoort, als je om hulp roept."
Alf vindt het maar overdreven.
In zichzelf neemt hij zich voor, toch weer naar het terrein te
gaan. Hij zal het ze wel niet meer vertellen...
|