Op de moestuin zijn de eerste voorjaarsgroenten flink gegroeid. De eerste maaltijd spinazie van de eigen tuin heeft Alf, met tegenzin, naar binnen gewerkt.
"Geef mij maar sla!" vond Alf.
Maar vandaag zijn ze op de moestuin en zien hoe de eerst zo frisse kroppen sla er verpieterd bijstaan. Vader zegt, dat hij die sla niet durft te eten. Alf vindt het maar onzin.
"Die binnenste bladeren zijn nog goed, die kunnen we toch eten!" vindt hij. "Ik wil sla!"
"Je dramt, Alf. Sla kun je niet koken en misschien eet je iets op, waar je ziek van wordt." Vader probeert Alf iets uit te leggen over giftige stoffen die in de lucht zitten en met de regen de grond inkomen. Maar Alf wil niet luisteren.
"Je hebt zelf gezegd, dat gif altijd in de nerven zit. Dan haal je die er toch af."
"Nee, Alf. Je ziet toch dat die buitenste bladeren zo gek doen!"
Zo kibbelen ze nog een poosje door.
Alf wil de komposthoop fijner hakken met de spa, maar dat mag niet. Hij wil de radijszaadjes begieten, maar vader zegt bozig, dat hij de zaadjes wegspoelt. Alf heeft er genoeg van.
Met een saggerijnig gezicht loopt hij de volkstuinen uit. Hij loopt naar de speelplaats, een eindje verder tussen de flats. Maar het klimrek is nog meer kapot dan de vorige keer dat hij er was, en de zandbak stinkt.
Nog saggerijniger loopt hij verder, als vanzelf richting het terrein.
Hij gaat door het gat in het hek, tussen de uiteengebogen struiken, die er bruin en kalend bijstaan.
"Ook al ziek," denkt Alf. "Mensen maken alle planten ziek."
Na de struiken komt een pad van gebarsten asfalt. In de barsten groeit gras en allerlei onkruid. Alf steekt het pad over, struint door hoog gras, tot hij bij een partij waterplanten komt. Daar heeft hij nog niet tussen durven lopen. Hij denkt aan wat zijn vader gezegd heeft over moerassen. "Je ziet ze niet, omdat de waterplanten zo dicht op elkaar groeien, dat de grond ertussen heel gewoon lijkt. Maar voor je het weet, zak je ineens door de grond."
Hij loopt voorbij de hoge, rietachtige planten. Ineens ziet hij iets van hout tussen het riet liggen. Voorzichtig probeert hij of hij op het hout kan staan. Het veert een beetje en is ook nattig. Maar Alf waagt het toch en loopt over het hout, tussen de hoge planten door.
"Dit is oerwoud!" denkt hij blij. Zijn humeur is een stuk beter.
Als het hout na een paar meter ophoudt, lijkt het of de grond omhoog gaat.
"Nu zit ik op een eiland," fantaseert Alf. De grond op het eiland voelt stevig aan. Hij baant zich met moeite een weg door de hoge begroeiing. Hij prikt zich een paar keer, dan wordt de begroeiing lager.
Hij vindt een plek, waar een cirkelvormige haag om kleurige lage planten heenstaat. De meeste plantjes zijn geel of paars. Tussen de planten loopt een dun, bijna overwoekerd paadje van rode klinkers. Alf gaat er zitten en snuift de geuren van de bloemen met volle teugen op.
Hij denkt aan het gekibbel met zijn vader op de tuin.
"Bah, bah!" moppert hij in zichzelf. "Ik moet altijd doen wat híj wil. Maar hij kan niet eens zorgen, dat de sla niet ziek wordt!"
"Ik wel!" zegt ineens een klein stemmetje.
Alf kijkt rond, maar ziet niemand. Hoorde hij eigenlijk wel een stemmetje? Of droomt hij? Hij kijkt naar de bloemetjes waar de zonnestralen mee spelen. Het is net of die stralen dansen. Alf moet denken aan een boek dat hij thuis heeft, een sprookjesboek, vol verhalen over elfen en kabouters.
Ineens is het net, of er kleine lichtjes rond de plantjes dansen. Net of de lichtjes elfjes zijn. Dan hoort hij weer het zachte, hoge stemmetje en het zegt: "Als ik groter ben en nog meer gele bloemetjes heb, moet je me naast de sla leggen. Je mag me ook nu meenemen, maar dan wel voorzichtig hoor. Met mijn worteltjes; dan kan ik naast je sla groeien."
Nu weet Alf waar het stemmetje vandaan komt. Van een groep donkergroene plantjes met fijngekartelde blaadjes en dunne knopjes, die vaag gelig duiden op bloemetjes die nog komen moeten.
"Dag elfje," zegt hij en ontdekt, dat hij dat zegt, zonder zijn mond open te doen.
"Dag Alf," zegt het elfje. Maar Alf ziet alleen het perzikkleurige licht rond de plantjes. En hij denkt: Hoe kan ik nu zo'n plantje meenemen? Dan zouden ze thuis te weten komen, dat ik op het terrein ben geweest...
Dan ziet hij het licht niet meer.
Maar op de een of andere manier voelt Alf zich heel blij van binnen, heel gelukkig.
Als hij terugloopt naar huis, heeft hij geen idee, hoe lang hij tussen de planten gezeten heeft.

"Pap, kunnen we samen een keer op het terrein gaan kijken?" vraagt Alf als vader hem 's avonds onder de dekens stopt.
"Je bent er vroeger toch ook geweest? Jij kent toch de weg?"
"Toen wel. Het was een prachtig terrein. Ik liep er graag te wandelen. Zat er soms hele dagen met een schetsboek tussen de planten. Ik vond het dan ook heel jammer, dat het terrein dichtging.
Met andere mensen heb ik nog geprobeerd dat te voorkomen. We schreven brieven naar het bestuur van de stad, haalden handtekeningen op. We hadden zelfs een heel plan bedacht om het terrein te onderhouden. Maar het bestuur zei, dat het te duur werd.
Wij zeiden toen, dat zo'n terrein zichzelf wel kan onderhouden. Dat het voldoende is om af en toe de paden schoon te maken. Dan zouden de planten zelf wel uitmaken, wie sterk genoeg zijn om in ons klimaat te overleven. De natuur zorgt zelf wel voor evenwicht, zeiden wij. Maar daar waren andere mensen weer tegen. Vooral de mensen met tuinen, die dachten dat alleen lastige en lelijke planten zouden overleven. Er waren ook mensen, die vonden dat het terrein beter kon worden gebruikt om huizen op te bouwen. Maar die plannen vond het bestuur ook te duur.
En zo is er jarenlang gepraat, zonder dat er iets gebeurde. Er werd ook niets aan de paden gedaan, zodat je er nu nauwelijks meer kunt lopen. Het is er gevaarlijk omdat je, voor je het weet in een moeras loopt, in een kuil valt of wat dan ook."
"Nietes!" wil Alf roepen, maar hij bedenkt zich nog op tijd.
"Hoe heet zo'n plantje met kartelblaadjes en gele knopbloemetjes?" vraagt hij.
"Gut Alf, daar vraag je me wat. Er zijn zoveel plantjes met gele bloemetjes en kartelblaadjes. Kun je wat meer over dat plantje vertellen?"
"Eh, het is niet zo hoog, of eh, misschien toch wel tot mijn onderbroek, eh, ik weet het niet zo precies." "Waarom wil je het weten?"
"Eh, eh," hakkelt Alf. Hij voelt, dat hij een kleur krijgt.
"Ik, ikke, eh, heb het een keer gezien en vond het zo mooi."
"Je zou in de plantenboeken kunnen kijken of er een plaatje van is," stelt vader voor. "Maar dan wel morgen. Nu is het laat en moet je gaan slapen."

De volgende dag kijkt Alf met zijn vader in de plantenboeken.
Het duizelt Alf, zoveel soorten planten ziet hij.
"Het is een kruid of onkruid of zoiets," weet hij dan ineens, zomaar.
"O, zeg dat dan. Dan zitten we in de verkeerde boeken te kijken. Dan moeten we het kruidenboek hebben. Kijk zelf maar, het is dat grote boek, met die bruine band, daar."
Alf bladert voorzichtig in het boek. Hij weet hoe zuinig zijn vader op dit soort boeken is. Ze zijn groot, dik en duur.
Dan ziet hij een grote tekening van een ranke plant met bruinige stengel en fijngekartelde, varen-achtige blaadjes. Niet zulke mooi donkerglanzende blaadjes als op het terrein, maar hij weet het zeker.
"Boe-ren-worm-kruid," leest hij.
"Ik heb hem pap!" roept hij blij uit. "Dit is hem! Dit is het plantje, dat sla beter maakt!"
Alf merkt niet, dat zijn vader verbaasd zijn wenkbrauwen optrekt.
"Sla beter maakt?" herhaalt zijn vader. "Laat eens kijken." Hij leest de tekst naast de tekening. "Verjaagt muggen, motten, vlooien in de hondemand... helpt tegen kiespijn," leest hij. "Waar staat dat, van sla beter maken?" vraagt vader verwonderd.
Alf voelt hoe hij weer een kleur krijgt.
"Eh, dat heb ik, eh, geloof ik, es gehoord of zo, van iemand."
"Mm" doet vader. "Mm, het schijnt sterk te ruiken, anders zou het geen insekten verjagen. Maar er zaten toch geen insekten in de sla...?"
"Toch helpt het!" zegt Alf.
"Nou ja, ik zou het eens kunnen proberen. Maar hoe komen we eraan? Vroeger zag je ze veel langs de spoorbaan."

Een paar dagen later maken Alf en vader een fietstochtje in de richting van de spoordijk, waar vader vroeger wel eens boerenwormkruid heeft gezien.
"Moeilijk zoeken, hoor," vindt vader. "Het is er ook nog niet helemaal de tijd van het jaar voor. Je herkent ze vooral aan de trossen gele bloemetjes en die zitten er nu natuurlijk nog niet aan."
Met enige moeite vinden ze toch jonge boerenwormkruidjes. Het is Alf die ze vindt. Ze zien er armetieriger uit dan op het terrein.
Samen graven ze een paar plantjes uit en zetten die later op de dag in de tuin.
"Baat het niet, dan schaadt het ook niet," zegt vader. "We krijgen er in ieder geval mooie bloemen van." Hij zaait wat sla naast het kruid.



Naar hoofdstuk 4