Alf gaat af en toe met zijn vader naar het buurtcafé. Dat café is in hun flatblok, op de tweede verdieping, die 'Binnenstraat' wordt genoemd. Er zijn enkele kleine winkeltjes en vader heeft er zijn atelier, pal naast het buurtcafé.
Achter de tap van het café staat een dikke dame. "Dikke tante," zegt Alf altijd als hij het over haar heeft. Hij mag haar niet. Ze lacht veel, maar Alf vindt dat ze eng lacht. Niet alleen omdat je dan haar tanden ziet, waar hier en daar gouden stukjes inzitten, Alf vindt dat ze niet echt lacht.
Ze praat veel en veel mensen praten met haar. Ze noemen haar af en toe gekscherend 'de koningin van de buurt', omdat ze iedereen kent en van iedereen wel wat weet te vertellen. Alf vindt haar een bemoeial.
Als Alf binnenkomt, zegt ze bijna altijd hetzelfde: "Zo jochie! Gaat het goed op school?"
Soms gaat hij even alleen het café in. Als hij terugkomt van school en vader niet op zijn atelier is. Dan kijkt hij of zijn vader er is, voor hij naar boven gaat.
Alfs moeder werkt overdag en Alf vindt het niet prettig om in een leeg huis te komen.
In het buurtcafé is het meestal druk en dat is gezellig. Alf kent de meeste mensen, die er geregeld komen. Veel van hen wonen in dezelfde flat als hij. Of in éen van de andere blokken in de buurt.
Vandaag is vader net zijn atelier aan het afsluiten, als Alf uit school komt.
"Wat zullen we doen, Alf? Boven thee drinken of nemen we een glas limonade in het café?"
"Mag ik dan flipperen?"
"Eén keer, ik heb niet zoveel geld," zegt vader.
"Ha die Jaco!" begroet de 'dikke tante' achter de bar vader. Tegen Alf zegt ze weer: "Dag jochie! Net terug uit school?" Ze wacht het antwoord niet af.
"Pilsje zeker?" vraagt ze aan vader.
"Ach ja," antwoordt die. "En jij, Alf?"
"Chocomel. Mag ik nu geld voor de flipperkast?"
Alf gooit een gulden in de kast. Hij kan vrij goed flipperen. Maar voor een gulden mag je maar één keer en na een paar minuten is hij uitgespeeld.
Hij vangt iets op van een gesprek tussen twee mensen, achter hem aan een tafeltje.
"Ze zijn nooit gevonden," hoort hij een van de mannen zeggen.
"Het is toch wat, hè Jaco," begint Meta, de dikke tante, tegen vader. "Die arme vrouw. Die zit nu al weken in onzekerheid of haar man nog terugkomt. Het schijnt dat-ie voor het laatst bij het terrein is gezien..."
"Sst," zegt Jaco en werpt een veelbetekenende blik op Alf.
Maar Alf heeft het gehoord, ziet ook de blik van vader.
"Over wie hebben jullie het?" vraagt hij.
"Niks voor snotjochies," zegt Meta.
"Wil je nog een keer flipperen?" biedt vader aan. Alf zegt geen nee. Hij zal eens laten zien hoe goed 'snotjochies' kunnen flipperen.
Boven de flipperkast hangt een lijst met namen en daarachter cijfers. Dat zijn de recordcijfers van de beste flipperaars.
"Ik wil ook op die lijst!" zegt Alf.
Meta sputtert.
"Dan mot je eerst de honderdduizend halen, jochie. Anders mag je er niet op."
"Pff, dat kan ik best," zegt Alf.
"Dat wil ik zien!" zegt een man. Het is Nelis, hun medetuinder op het volkstuinenkomplex. Hij staat ook op de lijst. Met een heel hoog getal: 360.880.
Nelis komt bij Alf kijken. "Nee maar!" roept hij uit. "Meer dan 170.000! En hij heeft nog een vrije bal ook!"
"Ja, dat zal wel!" roept iemand anders.
Alfs gezicht is helemaal rood van inspanning. Hij zal ze eens wat laten zien... Maar dan doet hij zo zijn best, dat hij van zenuwachtigheid de bal mist. Dat was de laatste.
"Jammer joh!" zegt Nelis. "Maar toch niet slecht. Moet je kijken, Meta: bijna tweehonderdduizend maakt dat jong!"
Meta komt achter de tap vandaan om het met haar eigen ogen te zien.
"Nou mag hij op de lijst," zegt vader. "Eerlijk is eerlijk."
"Jaja, Jaco," zegt Meta.
"En dan mag hij nog een piek," zegt Nelis. "Als beloning."
"Nou nou," zegt Meta, "wat doen jullie allemaal vriendelijk tegen dat joch!"
"En waarom niet?" vraagt vader.
Meta geeft Alf een gulden. Er gaan allemaal mensen om Alf heen staan als hij het nog eens probeert. Alf wordt er zenuwachtig van. Bij 82.000 is hij al bijna af.
"Laat mij eens!" zegt Nelis en duwt Alf opzij.
Pats, weg bal.
"Verdomme!" vloekt Nelis.
Alf heeft geen zin meer.
Maar hij is wel trots als zijn naam op de lijst komt.
"Alf: 192.370" staat er.
"Wie is er verdwenen?" vraagt Alf als ze in de lift staan.
"Die ken je niet," zegt vader. Hij kijkt er zo nors bij, dat Alf niet verder durft te vragen.
Maar de volgende keer in het café, hoort hij mensen op fluistertoon over het terrein praten.
"Het is er niet pluis, wat ik je brom!" verstaat Alf. Hij probeert of hij nog meer kan verstaan, maar dat lukt niet.
Maar voortaan let hij goed op de gesprekken die in het café gevoerd worden. Er wordt vaak over het terrein gepraat, merkt hij. En over mensen, die verdwijnen...
Een keer vraagt Alf aan Meta: "Is die man weer terug?"
Meta kijkt hem verstoord aan.
"Welke man?" vraagt ze nors.
"Die al een paar weken weg is," zegt Alf.
"Nee, de politie is gestopt met zoeken," zegt Meta en loopt naar de andere kant van de bar met een drankje.
"Je mot dat jong niet zoveel vertellen, Jaco!" zegt ze even later tegen vader.
"Ik vertel wat ik wil, Meta. Maar misschien vergeet jij wel, dat jongetjes ook oren hebben!"
Hij rekent af en ze vertrekken.
In de lift zegt Alf: "Ik weet wel wie die man is. Dat is de vader van Robert, die bij mij in de klas zit."
Vader zegt niets.
Maar als ze thuis zijn vraagt hij aan Alf: "Is Robert verdrietig omdat zijn vader er niet meer is?"
"Eh, dat weet ik niet. Ik praat niet vaak met Robert," zegt Alf. "Maar Frits zei, dat het niet erg was, omdat ze toch gingen scheiden en dan was Robert ook zijn vader kwijt geraakt."
"Wat een onzin!" roept vader uit. "Als vaders en moeders uit elkaar gaan, dan is dat naar. Maar dan ben je je vader of moeder toch niet kwijt!"
Alf schrikt van de heftigheid, waarmee zijn vader dat zegt.
"Sorry Alf," zegt vader. "Ik ben niet echt boos. Maar het zit me niet lekker, dat iemand uit onze buurt zomaar verdwijnt."
"Dat gebeurt toch vaker?" vraagt Alf.
Vader trekt een peinzend gezicht.
"Wie zegt dat?"
"De mensen in het café."
Vader begint, aarzelend: "Weet je wat ik zo gek vind? Er zijn inderdaad een paar mensen verdwenen, de afgelopen jaren. Allemaal zijn ze voor het laatst in de buurt van het terrein gezien. Snap je nu, waarom je moeder en ik niet willen, dat je er komt?"
Alf knikt. Hij begint het te snappen.
"Zijn die mensen in het moeras verdwenen?" vraagt hij zachtjes.
"Ik weet het niet. Ik weet het niet," zegt vader.
|