Op school wordt ook over het terrein gepraat.
Tijdens de kring vertelt Robert over zijn vader, die verdwenen
is. Iedereen vindt het heel erg naar voor Robert.
Fleur vertelt over haar vader, die ze bijna niet gekend heeft,
die al jaren dood is.
"Maar jij weet waar je vader is," zegt Robert.
"Nee," zegt Fleur, "hij is nergens meer. Hij is
verbrand, zegt mama."
De kinderen griezelen. De juffrouw legt uit, dat dode mensen
soms begraven worden, maar soms gecremeerd. Dan worden ze niet
begraven, maar verbrand en hun as wordt dan uitgestrooid of in
een vaasje bewaard.
"Als je in het moeras komt, word je vanzelf begraven,"
zegt Alf.
"Dat is geen leuk grapje, Alf," zegt de juf.
"Het is geen grapje," zegt Alf verongelijkt. "Als
je in een moeras komt, dan zak je erin weg. Helemaal."
"Hier zijn geen moerassen," zegt een jongen.
"Welles! Op het terrein, dat heeft mijn vader zelf gezegd!"
"Ja-a," zegt Mischa, "je kunt er verdrinken. Mijn
moeder zegt, dat er wel eens een kind verdronken is op het terrein."
"Wat stom! Die kon niet eens zwemmen!" zegt iemand.
"Als je klein bent, kun je nog niet zwemmen," zegt
Mischa. "Mijn zusje kan ook nog niet zwemmen."
"In een moeras kun je niet zwemmen," houdt Alf vol.
"Als je niet kunt zwemmen, verdrink je in water," zegt
Mira.
"Ja, in de speeltuin," zegt Mischa.
"In de speeltuin? Dat kan toch niet?!"
"Welles! In de speeltuin is water!"
"We hebben geen speeltuinen met water, Mischa!" zegt
de juf.
"Wel hoor. Mijn moeder zegt, dat er een kind verdronken
is in de speeltuin."
Niemand in de klas heeft gehoord van die speeltuin. Mischa vertelt,
dat die achter de hekken is, op het terrein. De meeste kinderen
hebben die hekken nog nooit gezien.
"Ik mag niet voorbij de flats," vertelt Mira.
"Daar is ook niks om te spelen, joh!" vindt Frits.
Thuis vraagt Alf naar de speeltuin.
Vader vertelt, dat er vroeger een speeltuin op het terrein was,
met boten en zelfs sluizen.
"Tjee! Die wil ik zien!" roept Alf uit.
"Die zijn er al lang niet meer," zegt moeder. Ze zegt
het met een ongeduldig toontje in haar stem. Alf kent dat toontje.
Het betekent altijd, dat zijn moeder ergens niet over wil praten.
Hij haat dat toontje.
"Pap, kunnen we nou niet op het terrein gaan kijken? Samen?
Eén keertje maar?" bedelt Alf.
"Zeur daar toch niet steeds over!" zegt moeder, nu
erg ongedurig.
Alf kijkt zijn vader smekend aan: "Hè toe Pap, éen
keertje maar!"
Vader trekt een diepe rimpel boven zijn neus.
"We kunnen er wel een keer omheen wandelen, als je wilt,"
geeft hij toe.
Maar de weken daarna heeft vader geen tijd. Hij moet schilderijen
klaar maken voor een expositie. De tijd die overblijft, heeft
hij nodig om in de tuin te werken. Er moet veel gezaaid en geplant
worden.
Alf vindt zaaien het leukste klusje in de tuin. Hij mag dan de
grond fijn maken. Met de drietand, de hark of zijn handen.
Vader trekt rechte voren in de grond, waar Alf voorzichtig zaadjes
in mag strooien en daarna aarde over verkruimelen.
"Hoe weet je nu, wanneer je iets moet zaaien?" vraagt
hij een keer.
"Daar zijn boeken over," legt vader uit. "En ik
maak altijd een plan, dan weet ik precies wanneer ik iets moet
zaaien. Je kunt ook niet zomaar alles naast elkaar zetten. Er
zijn planten, die het helemaal niet leuk vinden om bij elkaar
in de buurt te staan, daar heb ik zo'n plan ook voor nodig."
"Hoe weet je dat nou?"
"Ook uit boeken. Maar als je goed oplet, kun je het ook
aan de planten zelf merken. Zo heb ik gemerkt, dat de aardbeien
het naar vinden, als er kool in hun buurt staat. Dan groeien
ze niet goed. Vooral de jonge aarbeienplantjes worden dan heel
lelijk. Dat had ik twee jaar geleden. Ik heb toen in een boek
opgezocht, wat er aan de hand kon zijn met de aardbeien. Daar
stond in dat je kool beter niet naast aardbeien kunt zetten.
Toen ik de aardbeienplantjes ergens anders plantte, gingen ze
het wel goed doen.
Maar niet alles staat in boeken. De natuur geeft niet zo gemakkelijk
haar geheimen prijs. Goed tuinieren leer je vooral door veel
doen. Door ervaring. Je moet er een beetje gevoel voor krijgen."
"Dat heb jij wel hè, gevoel?" vraagt Alf.
"Laat je moeder het maar niet horen. Die zegt, dat ik net
een wijf ben als ik over mijn planten praat."
"Is dat erg, dan, een wijf zijn?"
Vader lacht.
"Ben jij nou een jongen van deze stad?! Wijf is een plat
woord voor vrouw. En vrouwen hebben gevoel, zeggen ze. Mannen
ook, maar die praten daar weinig over."
Alf denkt even na.
Dan ziet hij, dat zijn vader nog steeds pretoogjes heeft.
"Haha, mam vindt je juist lief, omdat je gevoel hebt, he
Pap."
"Jij hebt ook gevoel, Alf. Iedereen heeft gevoel."
"Pap, laatst hè, toen ik met Frits speelde en toen
we ruzie kregen, toen moest ik huilen en toen zei Frits, dat
echte mannen niet huilen. Frits zegt, dat ie nooit huilt en zijn
vader ook niet. Maar ik heb jou wel eens zien huilen."
"Je hoeft je voor huilen niet te schamen, Alf. Alle mensen
hebben wel eens verdriet, of ze nu man of vrouw zijn. Als jij
toen met Frits niet gehuild had, wat had je dan met je verdriet
moeten doen?"
"Ik was niet verdrietig."
"Niet? Je zei dat je huilde..."
"Ik was boos! Frits was gemeen. Eerst werd ik nog bozer,
maar Frits ging me uitlachen. Toen moest ik huilen."
"Toen ging hij je nog meer pesten, zeker?"
"Ja, maar ik ben weggelopen. Hij schold me uit. Voor huilebalk,
klootzak, lafbek, ik weet niet meer wat allemaal."
"En toen?"
"Toen ben ik de struiken ingehold en daar heb ik heel hard
gehuild. Maar toen zag ik beestjes om de bloemen zoemen. Bij
de braam, geloof ik. Ik vond ze mooi. En die bloemen ook. Het
kon me niet meer schelen, dat Frits bloemen stom vindt. Ineens
dacht ik: Frits is stom! Zo stom! Toen was het over!"
Ze zijn even stil.
Vader gaat verder waar hij mee bezig was.
"Hè, verdorie!" roept hij ineens uit. "Nou
had ik de tuinbonen getopt en nu zitten ze toch onder de zwarte
luis. En hier ook al. Ze zitten zelfs op de kamille!" "Maar
je had dit toch gezaaid tegen de luis?" Alf wijst op de
jonge dilleplantjes.
"Dat helpt dus niet," zegt vader.
Alf denkt aan het boerenwormkruid en hoe lekker de sla smaakte
die daarnaast gegroeid had. Hij neemt zich voor, zo gauw het
kan, het elfje te gaan zoeken.
Een paar dagen later ziet hij zijn kans schoon. Vader moet zijn
expositie inrichten.
"Je kunt na schooltijd mee," zegt vader bij het ontbijt.
"Je hebt een korte schooldag, vandaag."
Alf zegt, dat hij liever thuis blijft.
"Wat moet je dan doen, in je eentje?" vraagt moeder.
"O, teevee kijken of zo," verzint Alf.
Maar na de lunch, als vader vertrekt, hangt hij zijn sleutel
om zijn nek en wandelt naar het terrein.
Hij kruipt door het gat in het hek, loopt haastig tussen de struiken.
"Wat moet dat?!" hoort hij een barse stem. Alf schrikt
zich een hoedje. Nu pas ziet hij de man op het pad.
"Je mag hier niet komen!" zegt de man, nog steeds bars.
Alf durft de man niet aan te kijken. Hij heeft een heel warm
hoofd.
"Eh, eh, maarre," stamelt hij.
"Wraff! Wraff!" Een grote, gladharige donkere hond
komt springerig op Alf af.
"Af! Willem!" roept de man.
"Hij doet niks hoor," zegt hij tegen Alf.
Maar Alf ziet de scherpe tanden blikkeren en is daar niet zo
zeker van.
"Wat mot je hier?" vraagt de man, niet echt onvriendelijk.
"Eh, bl-bloemen plukken," verzint Alf.
"Jaja. Bloemen zat hier. Maar weet je dan niet, dat het
hier niet pluis is?"
"N-niet pluis?"
"Ja jochie. Het is hier niet pluis, wat ik je brom. Het
is dat Willem het hier zo fijn vindt, anders kwam ik er nooit
meer. Volgens mij spookt het hier, ik hoor soms zulke gekke geluiden.
Vreemde stemmen hoor je hier, maar je ziet nooit iemand. Je kunt
beter maken, dat je wegkomt."
Alf denkt aan de elfen en raapt al zijn moed bijeen.
"Maar u loopt hier toch ook?"
"Alleen voor Willem. En alleen hier bij het hek. En Willem
moet ook in mijn buurt blijven, hè Willem?! Anders fluit
het baasje je terug. Reken maar, dat er wat zwaait, als-ie dan
niet meteen komt!"
"O," zegt Alf.
"Mag ik dan een stukje meelopen?"
"Weten je vader en moeder dat je hier komt?" vraagt
de man.
"Eh, nee-eh," zegt Alf beduusd.
"Nou, wegwezen dan jong! Wij gaan hier ook weer vandaan!"
Alf weet niets beters te doen, dan terug te gaan door het gat
in het hek. Hij loopt een stukje met de man en zijn hond mee
terug.
"Waar woon je?" vraagt de man.
"In de flats," zegt Alf, die zich ondertussen bijna
suf piekert, hoe hij de man weer kan kwijtraken. Dat lukt pas,
als ze al weer pal bij de flats zijn. "Nou, ik mot hier
naar rechts," zegt de man. "Niet meer naar het terrein,
hè!" roept hij nog.
Alf wacht tot de man uit het zicht verdwenen is en gaat dan op
een holletje weer terug. Hij moet opschieten, straks is zijn
moeder al weer thuis.
Op het terrein vindt hij na wat zoeken de houten vlonder naar
het 'eiland'. Hij kijkt er vol spanning naar de plantjes. Maar
hij hoort alleen de wind door de hagen fluisteren en het zoemen
van allerlei insekten.
Hij kijkt naar de bijen, die ijverig van de ene naar de andere
bloem gonzen, op zoek naar nektar voor de honing. Even vergeet
hij, waar hij voor gekomen is. Maar dan gaat hij de plantjes
onderzoeken.
Wat gek, denkt hij, hier zijn geen luizen op de planten.
"Tuurlijk niet. Ik sta toch in de wind!" hoort hij
ineens een stemmetje.
Daar waar de haag in een dubbele rij een soort poort vormt, staat
een groepje zilvergrijzige planten, met kleine, paarse bloemetjes.
Alf voelt voorzichtig aan een blaadje. Er komt een scherpe geur
af, die aan zijn vingers blijft hangen. Zulke planten heeft Alf
eerder gezien. Ze lijken op een kruid, dat zijn vader in de kruidenhoek
van de tuin heeft staan.
"Waar ben je?" vraagt Alf. Maar hij hoort niets meer.
Ik droom, denkt Alf. Misschien bestaan er wel geen elven. Oma
zegt altijd, dat elven en kabouters alleen in sprookjes bestaan.
De volgende keer op de tuin zoekt Alf in de kruidenhoek naar
het scherp ruikende plantje met de paarse bloemetjes. Hij wrijft
even met zijn vingers over de grijzige blaadjes. Ze ruiken hetzelfde
als op zijn 'eiland'.
"Wat is dit?" vraagt hij aan vader.
"Salie!"
"Die staat verkeerd!" zegt Alf. "Hij moet in de
wind staan, tegen de luizen."
"Salie tegen luizen?" vraagt vader verwonderd. "Waar
haal je dat nu vandaan?"
Alf voelt de kleur op zijn wangen komen. 
"Eh, gelezen of zo," zegt hij gauw.
"Mm," bromt vader. "Salie tegen vlooien, ja, maar
salie tegen luizen, daar heb ik nog nooit van gehoord. Maar misschien
is het wel goed, om de salie te verplaatsen. Ze doet het daar
toch slecht. Waar zal ik die pol dan zetten?"
"In de wind." Hij staat met zijn rug naar vader toe
en ziet daardoor niet hoe die met een beetje verbaasde glimlach
naar hem kijkt.
"Salie stinkt knap," zegt vader. "Ik heb wel eens
gehoord, dat luizen dáar komen, waar de wind vandaan komt.
Die tuinbonen vangen veel wind. Het zal geen kwaad kunnen de
salie in die hoek te zetten."
Vader graaft de salie voorzichtig uit en plant de pol aan de
rand van hun tuin, daar waar door de ligging van de tuinen tussen
de flats, de meeste wind vandaan komt.
"Dit lijkt me een goed plekje," zegt hij. "Maar
voor de luizen zullen we maar eens kijken hoever het met de brandnetelgier
staat."
De brandnetelgier is na een paar dagen staan, ontzettend gaan
stinken.
"Bllgg," doet Alf, als hij met de gieter de groenige
drab over de tuinbonen giet. "Ik hoef straks geen tuinbonen
meer!"
"Daar proef je niets van, hoor," zegt vader. "Het
duurt nog een tijdje voor de bonen groot genoeg zijn. Ik hoop
alleen, dat het helpt, want kijk, de mieren waren de luizen aan
het melken."
"Melken?" vraagt Alf verbaasd.
"Ja, mieren houden luizen, zoals mensen koeien," vertelt
vader. "De luizen maken een zoete stof in hun lijf, die
de mieren opzuigen. En die luizen maar weer hard van onze tuinbonen
snoepen om weer op krachten te komen om nieuwe zoete stof te
maken."
Alf ziet inderdaad veel mieren, die paniekerig alle kanten uitrennen.
Ziet hoe ze proberen langs droge stukken van de tuinboonstelen
naar de luizen te komen. Alf krijgt kriebels over zijn rug, als
hij ziet hoe een grote zwarte vlek bovenin een tuinboonplant
uit allemaal kleine beestjes blijkt te bestaan, die hier en daar
bewegen. "Waar komen die mieren dan vandaan?" vraagt
hij. Hij vindt mieren wel grappig, vooral als ze lopen te sjouwen
met zaden en sprietjes, die veel groter zijn dan zijzelf.
"Ergens in de buurt waar ik nu de salie geplant heb, schijnt
een nest te zitten."
Maar ze vinden geen mierennest. Een paar dagen later ook geen
mieren meer. Vader gooit de tuinboonplanten met luizen weg. Die
zijn te slap geworden en zouden gaan breken als er later grote
bonen aan komen.
Hij gooit de stengels op de komposthoop.
In de overgebleven planten zullen geen luizen meer komen.
|