Alf zoekt vaak in de buurt van het terrein naar plantjes, die hij daar gezien heeft. Als hij er éen vindt, graaft hij het voorzichtig uit en neemt het mee naar huis.
Hij verrast zijn vader steeds vaker met ideeën en adviezen, die hij opdoet door de meegenomen plantjes op te zoeken in zijn vaders boeken.
"Wat jij toch voor gevoel voor planten gevoel hebt!?" zegt vader op een keer. "Het lijkt wel, of je met ze kunt praten!"
Alf kijkt geschrokken op.
"Maar dat, dat," stottert hij.
Vader lacht.
"Dat weet je toch, Alf, dat planten het prettig vinden als je tegen ze praat?"
"Ja, maarre, daar hoef je je mond niet voor open te doen." Het is eruit, voor hij het weet en Alf voelt zijn wangen heet worden.
Maar vader zegt: "Precies!"
"Kun jij dat dan ook?" vraagt Alf.
"Heel soms. Maar daarna denk ik, dat ik een beetje gek was, dat ik gedroomd heb of zo."
"Of dat het elfjes waren?"
"Haha. Dat zou ook kunnen ja. Maar in ernst Alf: ik weet, dat er een manier van praten in gedachten is, waardoor je alles kunt verstaan. Ineens iets kunt weten, iets begrijpen, dat je nooit geleerd hebt. Een soort helder moment, noem ik dat. Er zijn mensen, die dat gevoel noemen. Maar volgens mij is het iets anders. Iets wat te maken heeft met aandacht, met je manier van kijken en luisteren, met helemaal zijn waar je bent of waar je met je gedachten bent. Dan is er geen grens meer, dan is er iets, dat het mogelijk maakt, dat je zelfs iemand begrijpt die Russisch spreekt."
Alf staart naar zijn voeten. Hij knikt langzaam met zijn hoofd, hij snapt niet precies wat zijn vader zegt, maar praten in gedachten klinkt wel mooi, vindt-ie.
"Pap, denk je echt, dat het gek is, als je met planten praat? In je gedachten?"
"Nee, dat is niet gek. Het is misschien zelfs niet eens iets bijzonders, maar gewoon een bepaald soort belangstelling. Al ben ik bang, dat er maar weinig mensen zijn, die zo'n belangstelling hebben. Die mensen houden zich er niet mee bezig en begrijpen het daarom ook vaak niet."
"Jij begrijpt het wel, he pap?"
"Ik begrijp het niet echt helemaal. Want anders zou ik altijd met planten kunnen praten. Maar jij kunt het, is het niet, Alf?"
"Soms, als ik alleen ben tussen de planten."
"Hoe voel je je dan?"
"Heel blij. Maar in het begin ook een beetje bang. Ik dacht dat het elfjes waren, of spoken."
"Nu niet meer?"
"Nee, nu niet meer."
"Wil je me er meer over vertellen?"
Alf denkt aan het terrein. En even, eventjes maar, voelt hij zich schuldig.
"Liever niet," zegt hij dan. Hij is bang, dat zijn vader zijn geheim zal raden.
"Oké. Maar vindt het niet te spannend hoor. Dan overkomt het je misschien niet meer."
Even vraagt Alf zich af, of zijn vader zijn gedachten kan lezen. Maar dan begrijpt hij, dat vader iets anders bedoelt. Al snapt hij niet precies, wat.

Alf blijft, zo vaak als hij er kans toe ziet, naar het terrein gaan. Hij blijft voorzichtig, begint steeds op dezelfde plek, gaat langs dezelfde weg. Zo loopt hij de minste kans om te verdwalen.
Maar langzamerhand gaat hij zo wel steeds verder het terrein op.
Vanaf het 'eiland', waar hij zo graag tussen de kruiden zit, loopt een kronkelig, stenen pad. Het pad is erg ongelijk en soms, vooral na een regenbui, erg glibberig. Rond en half over het pad groeien veel wilde aardbeien. Er zijn prachtige grote bij met een heel felle kleur. Maar die smaken naar niks. Hij houdt er wel een vies, waterig smaakje van over in zijn mond. De andere aardbeitjes, piepklein, met een donkerrood kleurtje, zijn heel lekker zoet. Hij plukt er veel van, lest er zijn dorst mee.
Een keer merkt Alf, dat er helemaal geen rijpe aardbeitjes meer aan de plantjes zitten. De plantjes zien eruit, alsof er ijverig van geplukt is.
Alf vindt het een eng idee.
's Nachts heeft hij een nachtmerrie over enge dieren, die aardbeien eten, honderden aardbeien, maar het stilt hun honger niet en ze willen ook nog Alf opeten.
Moeder komt op zijn gegil af.
"Wat is er?" vraagt ze zachtjes. "Heb je een nare droom?"
Alf is nat van het zweet.
"De aardbeienmonsters willen me opeten!" vertelt hij met angstige ogen.
"De aardbeienmonsters?" vraagt moeder verbaasd. "Die bestaan toch niet?!"
"Wel! En ze eten honderden en honderden aardbeitjes!"
"Alleen kleine diertjes eten toch aardbeien," zegt moeder.
Alf kijkt haar ongelovig aan. "Echt?"
"Ja hoor. Aardbeitjes groeien toch heel laag en zijn ook klein. Die zijn voor kleine dieren en voor vogels. En die zijn te klein om jou ook maar íets te kunnen doen." Alf is gerustgesteld en probeert weer te gaan slapen.
Maar voor hij in slaap valt, vraagt hij zich af, waar die diertjes dan zijn, als hij op het terrein rondloopt.

De volgende keer dat Alf op het terrein komt, durft hij toch niet meer naar het eiland.
Hij probeert het pad vanaf de struiken bij het hek, de andere kant op. Dat pad is heel moeilijk begaanbaar. Het buigt snel af van de hekken, naar het midden van het terrein. Er omheen staan veel hoge bomen, waartussen allerlei vreemde struiken groeien. Struiken met stekels. Alf prikt zich aan zo'n stekel en krijgt er allemaal kleine blaasjes van op zijn arm. Witte jeukende blaasjes in een grote vlek om de plek waar hij zich prikte. Het is geen leuk pad. Het is er donker. Even twijfelt hij of hij nog verder zal gaan.
Dan ziet hij tussen de bomen iets glinsteren en wordt hij nieuwsgierig. Voorzichtig, met zijn hart kloppend in zijn keel, probeert hij dichterbij te komen om te zien wat het is. Hij loopt wat verder het pad op, in de hoop dat hij ergens om de stekelstruiken heen kan. Dat kan. De struiken gaan over in andere struiken, met grote trossen bloemen van een grijzig donkerrood.
Behoedzaam probeert hij tussen die struiken door te lopen. Het lukt. Hij vindt zelfs een heel smal paadje, waar zo te zien ooit netjes grind op heeft gelegen. Hier en daar ziet hij nog een kiezeltje liggen.
De struiken worden na een paar meter minder dicht en verwonderd ziet hij waar de glinstering vandaan komt. Het is water. Een soort vijvertje, waar een vreemd bouwwerk boven hangt. Het bouwwerkje lijkt het meest op een brug, maar dan van touw. Dik rood touw hangt als een hangmat tussen twee balken temidden van hoge waterplanten.
Alf ziet lisdotters bloeien. Hier en daar is wat water, kennelijk was het de zon die daarop weerkaatst, wat de glinstering veroorzaakte.
Alf vindt het een eng plekje. Het is er een beetje dampig. Hij denkt aan de man met de hond, die vertelde over spoken en geesten. De dampen lijken op de geest in de fles uit een sprookje dat hij kent. Hij is bang, maar tegelijkertijd ook geboeid door wat hij ziet en verroert geen vin.
Als zijn angst wat zakt en hij aarzelend een pas vooruit zet om het touwbouwwerk van dichterbij te bekijken, hoort hij ineens een stem zeggen: "Mooi hè?!"
Alf schrikt zich rot. Hij draait zich met een ruk om en wil de struiken inhollen. Maar daar botst hij tegen iemand op.
"Hiiiiii!" gilt Alf.
"Oei!" zegt het meisje waar hij tegenop botste. Ze is ongeveer even groot als Alf en heeft veel, wild lang haar.
"O, o, o, pardon... elfje," zegt Alf, die nog staat te trillen op zijn benen.
Het meisje lacht. "Haha, wat kun jij gillen, zeg!"
Alf staart haar met grote ogen aan, probeert zijn mond open te doen, maar kan geen woord uitbrengen. Wat is ze mooi! denkt hij.
"Nou zeg! Wat staar je nou? Ik ben geen elfje. Ik ben een meisje," zegt ze een beetje bozig.
Alf kan het nauwelijks geloven.
Ze draait zich om, loopt van Alf weg tussen de struiken.
"Wacht, wacht!" roept Alf.
Ze staat stil.
"Waarom moet ik wachten?"
Dat weet Alf eigenlijk ook niet en hij blijft het antwoord schuldig.
"Wie ben je?" vraagt hij dan maar.
"Ik ben ik," zegt ze plagerig. "En wie ben jij?"
"Alf."
"Dag Alf," zegt het meisje en voor Alf weet wat er gebeurt, trekt ze een sprintje en is tussen de struiken verdwenen.
"Hé, hé, wacht op mij!" roept Alf.
Maar hij hoort of ziet haar niet meer.
Teleurgesteld loopt hij terug, naar huis.



Naar hoofdstuk zeven ==>