Als Alf weer naar het terrein gaat, gaat hij zo snel hij kan naar het touwbouwwerk. Hij hoopt, dat hij het meisje weer tegenkomt, maar hij ziet haar nergens.
Hij probeert of hij over het touw kan lopen. Het is sterk genoeg, maar het is een hele kunst, merkt hij. Ook als hij zich goed vasthoudt aan de balken waar de touwen aan hangen, blijft het moeilijk om aan de overkant te komen. Het touw slingert alle kanten uit, als hij maar even iets beweegt. Na veel oefenen lukt het wat beter.
Tevreden met het resultaat fluit hij een liedje. Hij vindt het plekje niet eng meer. Juist heel mooi. De lisdotters stralen vriendelijk in de warme zon, libellen zoemen vredig rond.
"Ben je er nou alweer?!" hoort hij plotseling.
Alf schrikt, maar het is ook een blije schrik.
"Hoi!" zegt hij zo stoer mogelijk. Hij doet net, of hij in het water zojuist iets heel interessants heeft gezien en staart over de balk in het water.
"Wat zie je?" vraagt het meisje.
"Eh,eh," brengt Alf uit.
"Leuk zeg."
Alf krijgt een kleur.
"Je mag hier niet komen," zegt hij.
"O nee?" Ze laat een lachje horen. "Jij wel, zeker?" vraagt ze spottend.
Alf heeft het nu zo warm, en niet alleen van de zon, dat hij niet meer weet, waar hij moet kijken.
"Ik zie je wel vaker," zegt het meisje.
"Ik jou niet," zegt Alf.
"Nee, natuurlijk niet. Daar ben je te stom voor."
Alf wordt kwaad.
"Pff," blaast-ie. "Jíj bent stom. En bang ook. Waarom holde je anders weg, laatst?!"
"Omdat je stom bent!" Ze draait zich om.
Alf laat het niet op zich zitten. "Hé, wacht nou!" roept hij.
Maar ze holt weg, de struiken in.
"Je bent niet stom!" krijst Alf haar achterna. Hij ziet haar nog net, tussen de struiken.
"Te laat! Ik moet weg!" hoort hij haar nog roepen.

De volgende dag kan Alf niet naar het terrein.
Het is zaterdag en dat is een drukke dag bij hem thuis. Hij hoeft dan wel niet naar school, maar hij moet samen met zijn moeder zijn kamer opruimen. Er moeten veel boodschappen worden gedaan en vader wil op zaterdag, als het niet regent, altijd in de tuin werken.
Het is prachtig weer. Zo warm, dat het lijkt of de zomer al is begonnen.
Er is veel werk in de tuin. Veel jonge planten groeien nu erg snel en het onkruid groeit sneller dan vader lief is. De paardebloemen hebben zaadpluizen voor je het weet en de boterbloemen breiden zich met hun wortels onder de grond zo snel uit, dat ze het bijna niet bij kunnen houden. Ook allerlei andere onkruiden schieten de grond uit, overal in de tuin, ook tussen de groenten en kruiden die vader wel wil houden.
Er zijn ook veel jonge plantjes, die vader thuis in bakken heeft voorgezaaid en die nu groot en sterk genoeg zijn om in de tuin te worden geplant.
Leuk werk is dat, vindt Alf. Wel moeilijk. Want de jonge plantjes zijn heel teer en je moet heel voorzichtig zijn bij het overplanten om de worteltjes niet te beschadigen.
Zondag wil vader weer naar de tuin.
Maar Alf heeft geen zin. Hij wil liever in de zon zitten, met een boek. Op het balkon. Of nog liever, op het terrein.
"Je hebt me al lang geleden beloofd, dat we een keer om het terrein zouden wandelen," zegt hij mokkend tegen vader.
"Dat is waar," geeft vader toe. "Maar de tuin gaat nu voor. Daar heb jij ook belang bij. Jij eet toch ook graag lekkere, gezonde groenten."
"Pff," doet Alf. "Jullie altijd met je 'gezond'. Ik moet door die tuin soms wel twee keer in de week iets eten wat ik niet lust!"
Vader haalt zijn schouders op.
"Je overdrijft," zegt hij en pakt zijn gereedschap om in de tuin te gaan werken.
"Zullen we een spelletje doen?" vraagt moeder.
"Ik wil wandelen!" zegt Alf boos.
"Zullen we dat dan samen doen?" biedt ze aan.
"Als je om het terrein gaat," zegt Alf.
Moeder zucht. "Wat jij in je kop hebt, heb je niet in je kont," zegt ze met een vage glimlach. Ze denkt even na.
"Oké," zegt ze. "Maar op één voorwaarde: alleen rond de hekken."
Een kwartiertje later gaan ze samen op weg.
"Welke kant wil je op?" vraagt moeder, als de hekken in zicht komen.
Alf wijst naar rechts, de andere kant op dan het gat in het hek.
"Ik heb de verkeerde kleren aan," klaagt moeder even later. "Ik had beter een lange broek aan kunnen doen. Nu moet ik steeds opletten, dat ik me niet prik aan brandnetels of distels. Kunnen we niet wat verder van dat hek af, dan lopen we tenminste over gras!?"
Wat kunnen vrouwen toch zeuren! denkt Alf.
"Dan zie ik niks!" zegt hij.
"Wat wil je dan zien?"
"Weet ik niet. Ik weet toch niet, wat er achter het hek is," zegt hij nukkig.
"Weet je wat," stelt moeder voor, "dan loop jij langs het hek en dan blijf ik wat verder weg".
Dat lukt maar een kort poosje. Er loopt een vaart in de buurt van het hek, waardoor moeder ook dicht langs het hek moet lopen.
"Ik vind het zo wel ver genoeg," zegt ze.
"He, toe nou," zeurt Alf. "We hebben pas een klein stukje gelopen."
"Wat is dat?" vraagt hij even later.
Boven de struiken achter het hek ziet hij een groot glimmend rond ding uitsteken.
"Een soort windmolen, geloof ik. Die staat aan de rand van het terrein."
"Kunnen we er heen?"
"Dat weet ik niet. Vroeger wel, maar er was water, als ik me goed herinner. Ik weet niet of we er hier vandaan dichterbij kunnen komen."
De hekken buigen wat af en ze stuiten inderdaad op water.
"Het lukt niet. We moeten door die oude ingang. Maar zoals je ziet, zit die op slot. Bovendien, dat is tegen de afspraak. We zouden alleen óm het terrein heen lopen."
Alf vindt het maar gezeur.
"Het ziet er toch niet gevaarlijk uit," vindt hij.
"Hier misschien niet. Maar we weten niet, wat er allemaal achter het hek is."
"Waar was dat ding voor?"
"Weet ik niet. Voor de grap, geloof ik. Het was een modern soort windmolen, in de tijd dat de tentoonstelling er nog was. Die molen was een blikvanger, een soort reklame, zeg maar. Maar kom op, Alf, we moeten terug. Ik moet ook nog koken."

Een paar dagen later gaat Alf weer alleen naar het terrein.
Hij probeert of hij de weg naar de windmolen kan vinden. Maar het pad langs de hekken buigt af. Dat wist hij al, zo gaat hij naar het touwbouwwerk. Hij besluit eerst daar naartoe te gaan en vandaar verder te zoeken naar de molen.
Onwillekeurig kijkt hij, of hij het langharige meisje ziet.
Bij het vijvertje met het touwbouwwerk gaat een oude houten trap naar boven. De treden zijn verzakt, hier en daar ontbreekt er zelfs éen.
Hij klimt voorzichtig naar boven. Verrast kijkt hij om zich heen. Er loopt een soort riviertje. Heel smal, hij zou er met een grote sprong overheen kunnen. Maar dat kan niet, omdat het watertje hoge wallen heeft. In die wallen zitten deuren. Deuren met dikke kabels. Hij trekt aan zo'n kabel. Een deurtje gaat omhoog en het water stroomt er hard onderdoor naar beneden. Het watertje lijkt over trappen te lopen, na elke trap is er een klein watervalletje. Hij merkt dat, door de deurtjes op de goede manier te openen of te sluiten, het water harder of zachter kan gaan stromen. Als hij twee deurtjes achter elkaar sluit, ontstaat ertussen een grote bak water. Doet hij daarna het laagste deurtje weer open, dan stort het water zich met enorm geraas naar beneden. Hij vindt het prachtig speelgoed en krijgt er maar geen genoeg van.
"Zo! Speel jij sluiswachter!" zegt ineens een bekende stem.
Hij schrikt, maar draait zich dan om.
"Hoi!" zegt hij tegen het meisje met de lange wilde haren.
"Hoi! Waarom doe je dat?"
"Leuk toch," zegt hij. "Weet je wat dit zijn?"
"Ja, sluizen, natuurlijk, stomkop!" scheldt ze.
"Ik ben geen stomkop!" zegt Alf verontwaardigd.
"Beginnen we weer met ruzie maken?" wil het meisje weten.
"Jij begint!"
"Pff!" blaast ze. Maar ze loopt niet weg.
"Zal ik meedoen?"
"Mij best."
Ze spelen een tijdje met de sluizen.
"Maar nu moeten ze weer net zo staan als altijd," zegt ze dan.
Alf is verbaasd. "Hoe, altijd?" vraagt hij.
"Nou eh, gewoon, zoals het hoort."
"Wat hoort er dan?" vraagt Alf. "Wat een onzin, het maakt toch niet uit, hoe ze staan, als het water maar doorstroomt. En dat doet het altijd, kijk maar. Als zo'n bak vol is, loopt het ernaast vanzelf door."
"Dat heet geen bak, stommerd. Dat zijn bassins," zegt ze bazig.
"Je bent zelf een stommerd. Je doet net of je alles beter weet." vindt Alf.
"Weet ik ook."
"Volgens mij weet je niet eens hoe ik heet," probeert Alf.
"Jawel: Alf."
Hij herinnert zich, dat hij dat al eens gezegd heeft. Hij durft nu niet te vragen, hoe het meisje heet. Dan zal ze hem wel weer stom vinden, denkt hij.
"Je bent er altijd als ik kom," zegt hij.
"Ik hoor je altijd. Je maakt zoveel lawaai!"
"Nietes!"
"Welles!"
Alf geeft het op. "Ik moet weg," zegt hij.
"Waarom?"
"Als ik lang weg blijf, vraagt mijn moeder waar ik was," legt Alf uit.
"Nou en?"
"Nou, ik kan toch niet zeggen, dat ik hier was."
"Waarom niet?"
"Nou zeg! Je mag hier toch niet komen!"
"Van wie niet?" vraagt ze weer.
"Van m'n moeder niet, natuurlijk!" zegt Alf kribbig.
"Stom zeg! Ik lekker wel!"
"Pff! Dat zal wel!"
"Ja, dat zal wel!" Ze steekt haar tong uit. "Lekker!" zegt ze plagerig.
"Je liegt!" roept Alf boos uit. "Niemand mag hier komen, want het is gevaarlijk! Er zijn spoken en stemmen en er verdrinken mensen in het moeras!"
Ze kijkt hem verbaasd aan.
"O ja?"
"Ja! En je bent stom als je dat niet weet!"
"Nou, dan ben ik maar stom!" Ze loopt weg.
"Dag!" roept ze.
"Ik maak lekker toch geen lawaai meer!" roept Alf haar achterna.



Naar hoofdstuk acht ==>