Maar als Alf de volgende keer weer naar het terrein gaat, gaat hij toch expres naar de sluizen en zingt zo hard als hij kan een liedje.
Pas als hij de trap afgaat, op de terugweg, hoort hij haar stem.
"Stomme Alf! Ik had je toch gezegd, dat je van die sluizen af moest blijven! Nou staan ze weer verkeerd!"
"Baasspeler!" moppert Alf. Maar hij is niet echt boos. Hij is veel te blij, dat hij haar ziet.
"Zal ik helpen?" vraagt hij, als hij haar boze gezicht ziet.
"Ik kan het alleen wel," zegt ze.
Alf loopt de trap op en kijkt hoe ze in rap tempo de sluisdeuren zet, zoals zij dat wil.
"Hoe heet je eigenlijk?" vraagt hij, om toch maar wat te zeggen.
"Gaat je niet aan," zegt ze boos.
Alf fluit wat voor zich uit.
"Je maakt veel te veel lawaai", zegt ze. "Je jaagt alle dieren op."
Alf houdt op met fluiten.
"Ik moet weg," zegt hij.
"Ga dan!"
"Zie ik je de volgende keer weer?" vraagt Alf.
"Vind je dat leuk?" vraagt ze.
"Als je niet zo de baas speelt en je naam zegt," zegt hij vlug. Hij bloost er bij.
Ze lacht. "Oké. Als jij belooft, dat je van de sluizen afblijft."
Alf denkt even na.
"Als je je naam zegt."
"Ga je me dan roepen?" vraagt ze.
"Hoor je me dan?"
"Als je van hier roept, misschien wel."
"Maar hoe kan ik je nou roepen?"
"Roep mijn naam dan: Thamar."
Alf heeft die naam nog nooit gehoord.
"Thamar?"
"Moeilijk?" vraagt ze spottend.
"Gekke naam," vindt Alf.
"Ik vind Alf gek. En nu moet je weg."
"Dat maak jij uit, zeker!" zegt Alf boos.
"Wat wordt jij gauw boos zeg!"
"Jij ook!" zegt Alf en draait zich om, de trap weer af.
"Dag!" roept Thamar hem achterna.
"Dag!" roept hij terug.

Als Alf de volgende keer bij de sluizen komt, twijfelt hij, wat hij zal doen. Maar hij blijft van de deuren af. Hij klautert wat over de keien, die in het watertje liggen, waar de hoge wallen ophouden.
Dan roept hij, zo hard hij kan: "Thamar! Thamar!" Hij schrikt van zijn eigen stem. Om hem heen is alles doodstil. Even vraagt hij zich af, of hij niet voor gek staat zo. Hij heeft zin om verder te lopen, langs het watertje, dat hij een eindje verderop achter struiken ziet verdwijnen. Maar hij durft niet goed. Hij ziet er ook veel riet en is bang, dat hij in een moeras komt.
"Jij dus!" hoort hij plotseling de stem van Thamar.
"Hoi!" zegt Alf.
"Niks hoi!" zegt Thamar.
"Waarom doe je toch zo saggerijnig?" wil Alf weten.
"Omdat je zo stom doet!"
"Nou zeg! Wat doe ik nu weer stom!" Hij is echt verontwaardigd. "Ik zit niet aan de sluizen, ik roep je, je komt en toch ben ik stom!" Alf snapt er niks van.
"Ach, laat maar," zegt Thamar. "Wat wil je?"
Daar heeft hij geen antwoord op. "Ik wil, eh, ik wil eh, gewoon, met je langs het water lopen", bedenkt hij dan.
"Daar kom je bij moeras," wijst Thamar.
Alf griezelt.
Ze merkt het en zegt: "Het is niet zo eng hoor. Als je maar weet, waar je op moet letten. Als je goed uitkijkt waar je loopt, kan je niet veel gebeuren. En als je toch wegzakt, nou, dan neem je een duiksprong."
"Een duiksprong?"
"Ja, als je voelt, dat je wegzakt, moet je meteen een zo groot mogelijke stap nemen."
"O."
"Kom dan." Ze geeft Alf een hand. Ze klimmen over de grote keien van het watertje, lopen over het gras, tot het watertje tussen een rand struiken verdwijnt.
Het is stralend weer.
Ze lopen heel stil, Thamar en Alf.
Alf hoort overal vogels fluiten.
"Hier mag je niet verder," zegt Thamar.
"Waarom niet?".
"Moeras. Verboden terrein."
"Gaan we terug?" vraagt Alf.
"Nee. Jij moet terug. Ik blijf nog even."
"Dan blijf ik ook."
"Nee! Je moet nu weg!" Krijserig doet Thamar. Alf snapt er niets van. Wat heeft ze nu opeens weer?!
"Dat maak jij niet uit!" zegt hij bozig.
Ze kibbelen een tijdje door.
Alf vraagt waar ze woont, maar ze zegt kattig dat hem dat niets aangaat.
"Je doet vervelend!" zegt Alf, nog steeds boos.
Thamar zegt niets meer. Ze gaat op het gras zitten.
"Ik snap niks van jou," zegt Alf. "Zo ben je aardig en zo doe je stom!"
"Dat kan ik niet helpen," zegt Thamar verongelijkt.
Ze zitten een poosje naast elkaar te zwijgen.
"Nou, dan ga ik maar," zegt Alf.
"Ja, dag. Tot de volgende keer."
"Wanneer?"
"Wanneer je weer komt."
"Morgen. Na school en na de thee."
"School?" vraagt Thamar. "Wat is dat, school?"
"Nou zeg! Je weet toch wel wat een school is?!"
"Nee."
"Ga jij niet naar school dan?" vraagt Alf verbaasd.
"Nee."
"Nou, ik wel."
"Wanneer kom je weer?"
"Morgen, na school. Dat zei ik toch."
"Oh ja," zegt Thamar. "Nou, dag hoor!"
"Dag," zegt Alf en loopt weg.
Onderweg naar huis denkt hij aan Thamar. Hij vindt haar eigenlijk een beetje vreemd.

Alf en Thamar plukken de volgende dag samen aardbeitjes. Alf vertelt Thamar, dat hij het een tijdje geleden zo raar vond, dat ineens alle rijpe aardbeien verdwenen waren.
"Gewoon toch!" zegt Thamar. "Die plukken we voor de jam."
"Wie we?" wil Alf weten.
Thamar krijgt een kleur.
"Nou eh, ikke enne, jij en zo," zegt ze hakkelend.
"Maak jij jam?" vraagt Alf ongelovig.
"Nee joh! Ik niet! Mijn moeder!"
"O."
Als Alf weg moet, wil Thamar alweer alleen achterblijven.
"Waarom doe je toch altijd zo geheimzinnig?" wil Alf weten.
"Als ik weet waar je woont, kan ik je thuis ophalen."
"Nee! Dat wil ik niet!" zegt Thamar geschrokken.
Alf haalt zijn schouders op.
Maar hij neemt zichzelf voor, er toch achter te komen waar Thamar woont. Een andere keer, als hij meer tijd heeft.



Naar hoofdstuk negen ==>