Die andere keer is een paar dagen later.
Het is zaterdag. Alf zegt, dat hij geen zin heeft in boodschappen doen of in de tuin helpen.
"Waar ga je dan heen?" vraagt vader.
"Eh, wandelen of naar het speeltuintje," jokt Alf. Hij krijgt er een kleur van. Vader doet net, of hij dat niet merkt.
"Nou ja, het is ook lekker weer," zegt vader. "Maar kom dan wel thuis voor de thee. Ik zie je bijna nooit meer, tegenwoordig."
Alf gaat even later zo snel hij kan naar het terrein.
In zijn haast let hij niet zo goed op als anders. Zonder te kijken schiet hij uit de struiken het pad op en botst dan tegen iemand op.
"Verdomme jong! Ken je niet uitkijke!" krijst een stem.
Het is Meta, de kasteleinse van het buurtcafé. Ze is nog meer geschrokken dan Alf, lijkt het wel.
Voor Alf van de schrik bekomen is, loopt ze al weg, zonder omkijken snel door de struiken, naar het gat in het hek.
Alf zucht van opluchting. Ze vroeg niets en joeg hem ook niet weg, gelukkig. Maar wat moest ze hier? Van alle mensen die Alf kent, roept zij het hardst, dat het gevaarlijk is op het terrein, dat je er niet mag komen. En nu was ze er zelf! En ze heeft niet eens een hond... Alf schudt verbaasd zijn hoofd, die rare grote mensen ook.

Als Alf bij de sluizen komt, is Thamar er al. Precies volgens afspraak. Hij hoeft haar niet te roepen
dit keer. Ze spelen wat met de sluizen. Doen daarna op het touwbouwwerk wedstrijdje, wie er het snelst overheen kan. Ze maken er grapjes bij, proberen elkaar aan het schrikken te maken, te laten vallen. Ze hangen in allerlei gekke houdingen in het touw. Zo wordt het een wedstrijdje in lollig doen, elkaar aan het lachen maken. Op het laatst hoeven ze elkaar maar aan te kijken, om weer in lachen uit te barsten.
"Oh, hou op! Hou op!" proest Thamar. Alf trekt een gekke bek...
"Schei uit!" hikt Thamar. "Ga weg!"
Alf doet of hij wegrent, draait zich weer met een gekke bek om. Lacherig zitten ze elkaar achterna.
Moegelachen komen ze bij Alfs lievelingsplekje, het 'eiland'. Ze ploffen neer tussen de kruiden.
"Mooi hè, al die kruiden," zegt Thamar na een poosje.
Alf vertelt over hun tuin en hoe hij op het eiland plantjes vond, die in hun tuin helpen tegen ziekte.
"Goh, wat knap!" zegt Thamar. "Mijn vader zoekt vaak naar de goede kruiden, maar dat lukt niet altijd."
"Hebben jullie ook een tuin?" vraagt Alf verbaasd.
"Natuurlijk! We moeten toch eten!"
"Maar ik zie je nooit op de tuinen," zegt Alf.
Thamar bloost.
"Nee, eh, wij, eh, hebben niet bij jullie een tuin," legt ze uit.
"Waar dan wel?"
"Eh, nou eh, bij waar we wonen, natuurlijk." Ze springt op. "Ik moet gaan hoor!"
"Ik nog niet. Zal ik met je meelopen?"
"Nee-e!" zegt Thamar ongedurig.
Dus blijft Alf alleen achter. Dit keer wacht hij tot ze bijna uit het gezicht is en gaat haar dan stiekem achterna.
Ze gaat langs de sluizen, merkt hij. Steeds verder het terrein op, in plaats van er weg te gaan.
Wat gek, denkt hij. Maar tijd om erover na te denken, heeft hij niet. Hij moet erg goed opletten om haar niet kwijt te raken. Een eindje voorbij de sluizen ziet hij haar de struiken ingaan. Alf gaat harder lopen. Tussen de struiken is nauwelijks ruimte, erachter een wilde begroeiing. Hij kan alleen door het uiteen wijken van de planten zien, dat Thamar daar net heeft gelopen. Daar heb je het al; waar is ze nu heen? Een eindje verderop ziet hij iets bewegen. Is dat Thamar, of verbeeldt hij zich dat maar? Haastig baant hij zich een weg in die richting. Hij let niet meer op waar hij loopt, denkt alleen nog, dat hij haar niet wil kwijtraken.
En dan... Ineens zakken zijn voeten weg... zomaar in de grond! Hij wil ze optillen, maar in plaats daarvan zakken ze verder de zachte grond in...
In een flits begrijpt hij wat er aan de hand is...
Hij zit in een moeras...!
Een enorme schrikgolf van paniek slaat door zijn lijf.
Hij gilt.
Hij gilt zo hard, dat tot ver in de omtrek allerlei dieren en diertjes verschrikt wegschieten. In het riet om hem heen beweegt van alles, vogels stijgen eruit op met snel gefladder.
"Dan neem je een duiksprong!"
De woorden van Thamar schieten door zijn hoofd.
Hij gooit zich met een enorme kracht naar voren. Zijn voorste voet komt los, de andere schiet uit zijn laars...
Hij maakt een heel vreemde, grote sprong. Zijn rechtervoet geeft hem nog een keer vaart.
Dan valt hij voorover, languit.
Hij graait met zijn handen wild in het rond, dan voelt hij iets hards en trekt eraan. Het is riet, het knapt af...
"Help!" gilt hij.
Maar er komt geen hulp.
Bang ligt hij even stil. Dan merkt hij dat de grond onder zijn bovenlijf wat steviger is. Hij probeert op te schuiven. Het lukt!
Hij schuift nog wat verder, probeert of zijn knieën steun vinden. Het lijkt erop.. voorzichtig probeert hij overeind te komen en ja, met wat moeite lukt dat... Gelukkig, hij staat weer op het droge.
Modderig en moe staat hij daar. Op een voet en een laars.
Zijn laars is hij kwijt.. Hoe moet hij dit thuis vertellen?
En welke kant moet hij op?

Dan hoort hij geluiden tussen het riet, aan de andere kant van het stukje moeras waar hij in verzeild was geraakt.
"Domme Alf!" hoort hij een bekende stem bestraffend zeggen.
Daar staat Thamar, met naast haar een grote man.
Bedremmeld kijkt Alf naar zijn ene laars.
"Ehh," zegt hij.
"We hoorden je gillen," zegt Thamar.
"Ik gilde niet," probeert Alf stoerdoenerig.
"Klopt! Je krijste!" zegt Thamar.
Ze staan nog steeds op een afstandje van elkaar. Alf voelt een kleur op zijn wangen komen. Hij durft niet goed te kijken naar Thamar en die grote man met die donkere baard.
"Hoe moet ik nu naar huis?" vraagt hij verdrietig, half tegen zichzelf en half hardop.
"Je hebt eerst droge kleren nodig," zegt de grote man. "Je zult met ons mee moeten."
Alf aarzelt. Maar Thamar zegt: "Dan mag hij tóch ons huis zien, hè, pap?" Haar vader bromt wat.
"Geef je vriend maar een hand," zegt hij.
"Hij is veel te nat," zegt Thamar met een lachend gezicht.
"Dan loopt hij maar achter ons aan. Maar wel dicht bij ons blijven hoor! Anders zit je zo weer vast!"
Alf loopt ongemakkelijk achter hen aan. Met een blote voet en de ander soppend in zijn laars. Hij ruikt de muffe geur van de prut in zijn doorweekte kleren, die overal aan zijn lijf plakken.
Tot zijn verbazing gaan ze nog dieper het moeras in. Ze gaan steeds verder het terrein op. Alf ziet plekken, waar hij nog niet eerder is geweest. Maar omdat Thamars vader af en toe met een nors gezicht omkijkt, durft hij niets te vragen.
Ineens ziet Alf vuurtjes.
Om die vuurtjes zitten mensen.
Veel mensen, vindt Alf.
Die ene man daar, heeft hij die niet eerder gezien..?
Alle mensen kijken naar hem. Hij weet niet meer waar hij kijken moet. Waar is hij terecht gekomen?
Hij vindt het eng en spannend tegelijk. Wat is dit hier..?



Naar hoofdstuk 10 ==>