Leo Verzuu



Parasiet

't Hangk in de bank
en 't vegeteer
t' hangk in de bank
en 't parasiteer

't hangk in de bank
en 't lul zich lek
't hangk in de bank
en 't maal met de bek

't hangk in de bank
en 't kijk nogal goor
't hangk in de bank
en 't groei gewoon door

't hangk in de bank
en 't grinnik
't hangk in de bank
en 't hinnik

't hangk in de bank
en 't spaar ze gees
t' hangk in de bank
en 't is van vlees

't hangk in de bank
en 't noem zich mens
't hangk in de bank
en 't heb maar een wens

daar is het
vol van

lekker vet
legge lebbere
aan de trog
van de lol


Winternacht

Het meestal milde
maanlicht staat
meedogenloos
staalstrak en steil
en bovenal
heel helder
als gestoken over
de bevroren velden

roerloze staketsels
van elzen en eiken
reiken de leegte
leegte aan
en intussen slaat
de maan
stammen en takken
genadeloos tegen
de besneeuwde
vlakte

hoog in de lucht
teveel voor woorden
een eskader ganzen
gakkend op de vlucht
voor de gestrengheid
van het noorden

verder niets dan
sterren en
ijzige stilte
en in die kilte
- om even mijn
gedachten te
bepalen -
zwijgt ook god
maar dan in
álle talen


Zomernacht

Er huilen uilen
in het oor van de nacht

tussen hoge zomerkruinen
lacht een volle maan
haar eigenzinnig licht

snijdt op het bospad
schollen zicht
uit ondoorgrondelijke aarde

gedempte klaarheid kleeft
in vlekken en flarden
tegen het zwart van
roerloos stijgende stammen

met een tik
breekt een tak
in de zilveren stilte

een vleermuis
buitelt voorbij

ik wandel lichaamloos
in opgeschort verglijden
van de tijd
en waan mij zo
heel even
op een weg
terzijde
van het leven


Estremadura

In 't stugge lover
der olijven
onder de hoge zon
rijten
ritmisch delirerende
cicaden
de strenge
strakgespannen
monastieke stilte
als een eindeloos
lang laken
aan flarden

de hitte
amper de harden
hangt
hectisch hommelend
tussen de hoge
heuvels
- vloeit als vuur
over de vlakte
- kookt de keien in
de bleke bedding
van een dorre rivier

geen blad beweegt
geen zuchtje wind
veegt
over de getergde
aarde
in de schaduw van
een schuur
slechts een haveloze
hijgende hond
en op de muur
een hagedis

verder niets dan
ingehouden
teruggetrokken
schuilgaand leven
wachtend op het
sterven van de zon
en op het
frenetieke tieren
en zwieren van
zwermen zwaluwen
in de paarsblauwe
zwart-fluwelen
schemering

straks zullen de
juwelen van de nacht
in volle pracht
flonkeren
boven de flanken
van het dal
en zal
de afgetobde ziel
zich baden in het
vredig stromend
sostenuto van
getemperde cicaden

o, ik hou van dit
verheven land
dit ascetisch-schone
Spanje
zinderend en naakt
en zo
volmaakt ontdaan
van franje


In mijn tuin

Het water in de vijver
roerloos, rimpelloos
en atonaal
oogt als het
marmer van een tombe

de goddelijke goudvissen
lijken in zwart verdronken

deze zomer nog
stond die ik liefheb
in mijn tuin

een lage avondzon
fonkelend als een karbonkel
deed haar weelderige haar
gloeien als granaat

vanuit de keukendeur
zag ik haar staan
onder de kerseboom

haar sterke voeten
bloot op 't warme
tegelpad

onzegbaar lieflijk
op een geduchte wijze,
vrouw
als in een visioen

met tastend
aandachtige handen
nam zij twee donkerrode
kersen van een tak
en stak daarvan één
bij wijze van proef
tussen haar prachtige
krachtige tanden

een merel zong
van vér nog voor de
zondeval
en door het kloofdal
van mijn ziel
stroomde als bij toverslag
een paradijsrivier

nu ligt
bruin en nat
opgewaaid blad
waar eens haar voeten
stonden

hoog in het filigraan
van de radijsboom
steken nog wat
witte bessen

als een reikhalzend skelet
steekt het silhouet
van de kerselaar af
tegen sombere wolken

mijn tuin
die ik mijn Eden dacht
oogt als
versteende leegte
duldt en wacht


Smartofilie

Zij hield
zozeer
van fraai
gecomponeerde
smart
en dus ook
van droefgeestige
gezangen
dat ze zich
heeft
opgehangen
aan
de takken van
een elegie

als ik haar
zo
hangen zie
denk ik
krachtig:
wat is
lekker leed
toch prachtig!


Jehan Alain

Melancholieke
stengelstaande
eenzaamheid
in windgericht

mystieke vespervogel
in het riet langs
buitenwoordelijk water

hommelende zomerzoemer
in de verscheurende
sereniteit van
blakstil blikkerende
heidevennen

aeolusharp
klagend in de hete
zonnewind van
raadselachtig zijn

lyrische leeuwerik
van de
bedauwde dageraad

tierelierende stem
van de stilte en
haar flinterdun
vermoeden

subtiele seismograaf
van het mysterie

gesneuveld
meegesleurd
in de
kolkende cataract
van de waanzin


Geleewiekt

Ten lange leste
uitgeplapperd
-geflapperd en
-gefladderd
toeft een
klucht spreeuwen
zacht heen en
weer wiegend
in de top van
een kale berk

bizarre noten
aan verfomfaaide
omhooggewaaide
balken

vanover de
getande horizon
der slaapstaddaken
schuift
passieloos en traag
de avond aan in
schemergrijs gewaad
van miezerige regen

hoog aan de hemel
trek een meeuw
geheel alleen een
adembenemend
strakke vore
door het gore
veld van mijn blik
en in mijn
druilerige ik
etst hij een spoor
van kennelijke zin

geleewiekt sta ik
in de keukendeur
de aardappels
koken al,
de buren eten
- zo te ruiken -
ook
en in de lusteloze
lampen van de laan
vangt vaal het
nare natrium aan
te gloeien


Gezang

'n Honingvrome
gospel-engel
tergde met haar
jezus-jengel
m'n oren niet alleen
maar nog meer
m'n ziel

maar zie ...
't geviel
de here god
de trut te treffen
met de bliksem

'k zei toen:
"Deo gratias ..
wat fijn dat u dat
fliksem"


LEO VERZUU


©St. NoPapers

Terug naar overzicht