Brits cello recital


In de klassieke wereld is het dragen van de achternaam Lloyd Webber lang niet altijd een voordeel. Maar cellist Julian kan het ook niet helpen dat broer Andrew miljonair is geworden met het schrijven van succesvolle musicals, die in klassieke kringen nog wel eens afgedaan worden als gemakkelijke en (daarom) minderwaardige muziek. Julian Lloyd Webber heeft na zijn studie in Genève bij Pierre Fournier als cellist echter zijn eigen internationale carrière, die hem in concertzalen over de hele wereld brengt, opgebouwd. Ook heeft hij inmiddels een groot aantal CD's opgenomen. Zo won zijn interpretatie van Elgar's celloconcert samen met het Royal Philharmonic Orchestra onder Yehudi Menuhin de BPI onderscheiding voor de Best British Classical Recording in 1987. Ook hedendaags werk staat veelvuldig op zijn programma's; inmiddels heeft deze cellist de wereldpremières van meer dan 30 composities zoals Malcolm Arnold's 'Fantasy', Britten's derde Suite en Rodrigo's 'Concierto como un divertimento' gespeeld.

Britten zijn niet zo bang voor chauvinisme en zo komt Julian Lloyd Webber nu samen met pianist John McCabe met een tweede CD gewijd aan Britse cellomuziek. Hier geen Holst of Vaughan Williams maar de wat kleinere meesters Stanford, Bridge en Ireland. Volgens de voorzijde van het boekje beleven maar liefst drie van de in totaal vier werken hier hun opname-premières, maar wie beter kijkt, ziet dat de opnames van de Elegy van Bridge en van de Sonate van Ireland al in 1981 (ADD en dus nog net op LP) gemaakt werden. Het zijn overigens nog steeds de enige beschikbare opnames. Tussen beide opname-data zit elf jaar en dat is helaas nauwelijks te horen. Helaas, want qua geluid zijn beide sessies vrijwel niet van elkaar te onderscheiden in hun waar het de balans betreft vaak onplezierige verhoudingen en waar het het geluid betreft hun indirectheid. Het klinkt allemaal wat wollig en gedempt, ook enigszins afstandelijk. De volumeknop fors opendraaien heeft daar wel een beperkt positieve invloed op, maar echt ideaal wordt het nooit. De vleugel- en de celloklank liggen eerder op dan naast elkaar en dat maakt het luisteren niet zo makkelijk. De opnames waren gebaat geweest bij meer hoog en een opener geluid. De nieuwste opname is zo mogelijk nog droger dan die uit 1981.

Warm geluid
Ondanks deze bezwaren is de kwaliteit van het spel van beide musici nog goed te beoordelen. Er wordt met flair en overtuiging gespeeld; het warme geluid is ongetwijfeld ook het gevolg van het toucher van de pianist en vooral van de stokvoering en het instrument van de cellist. Verder wordt ook zondermeer duidelijk dat de uitvoerenden deze weinig bekende muziek met liefde spelen. Muziek overigens, die hoewel de moeite waard toch niet tot het beste van Engelse bodem gerekend kan worden. Daarvan is op de eerste CD (met werken van Britten, Arnold, Ireland, Rawsthorne en Walton) wel het een en ander vastgelegd.

Sir Charles Villiers Stanford (1852-1924) is samen met zijn tijdgenoot Parry een van die Britse componisten die op het vasteland vrijwel onbekend zijn gebleven, terwijl de Britten zelf hen hoog in het vaandel hebben (hadden) staan. Hij groeide op in een intellectueel en cultureel milieu, zou aanvankelijk jurist worden maar mocht uiteindelijk muziek studeren en werd de belangrijkste figuur voor de negentiende-eeuwse renaissance van de Engelse muziek. Zijn oeuvre is omvangrijk en beslaat vrijwel alle genres. Overigens was zijn vader amateur-cellist. In zijn toelichting schrijft John McCabe aan Stanford beïnvloeding door Brahms toe. En hoewel dat het soort sfeer is waarin bijvoorbeeld ook de tweede sonate voor cello en piano zich beweegt, is een verdere vergelijking met de grote Duitse componist misschien toch wat teveel eer voor Stanford. Het romantische aspect is onmiskenbaar en er gaat ook een zekere kracht van de muziek uit, vooral in deze actieve en gedreven vertolking. De passie komt de luisteraar in golven tegemoet. Lyriek komt vooral in het laatste deel aan bod. Toch blijft de opname een beetje tussen de vertolker en de toehoorder in staan, de afstand is te groot.

John Ireland (1879-1962) verdiende zijn brood voornamelijk als organist en koormeester. Zijn introspectieve karakter en dat van veel van zijn composities is te wijten aan onder andere een bepaald ongelukkige jeugd. Zijn Sonate uit 1923 is dertig jaar jonger dan die van Stanford, klinkt inderdaad 'moderner' en onderscheidt zich door bijvoorbeeld een piano-solo in het middendeel, dat prachtig gedragen wordt gespeeld. Het attractieve Con moto e marcato (deel 3) volgt daar direct op in een vlotte uitvoering, die hier en daar zelfs door de dofheid van de opname heen weet te breken.

Van Frank Bridge (1879-1941) werden twee korte stukken opgenomen. Deze componist maakte indertijd ook naam als dirigent, maar ondanks de met name poëtische kwaliteiten van zijn muziek en dankzij het Engelse muziekleven, dat de meer extreme stromingen op het vasteland niet volgde, is zijn werk na zijn dood vrijwel geheel in het vergeetboek terecht gekomen. De Elegy (1905) speelt Lloyd Webber prachtig bezonken en ingetogen, maar eerlijk gezegd komt het stuk nergens, is niet meer dan een sfeertekening, en dan is 4'26" zeker genoeg. Het Scherzetto (1902) daarentegen, is heel zwierig en krijgt van de cellist een vrije en actieve vertolking, waardoor die amper 3 minuten zo voorbij zijn.

Alles bij elkaar geeft deze CD behalve een beeld van de Britse celloliteratuur zo rond de laatste eeuwwisseling ook een indruk van het uitstekende (samen)spel van deze beide musici, overigens voor zover dat laatste te beoordelen is op basis van deze opnames. Naar de muziek ben ik nu wel zo nieuwsgierig geworden, dat ik die graag eens in de concertzaal zou willen horen. Vreemd dat dat niet of nauwelijks voorkomt en waarschijnlijk zullen we zelfs op de komst van Julian Lloyd Webber zelf moeten wachten. Tot die tijd moeten we het met deze CD doen, die dus, zoals gezegd, de muziek niet optimaal weergeeft, maar alternatieven zijn er op dit moment nog niet.

PRISKA FRANK


©St. NoPapers

Terug naar overzicht