In het kielzog van een zich steeds dwingender aandienende spirituele
(r)evolutie van met name de westerse maatschappij, wordt veel oude kennis
weer opnieuw over de bewustzijnsdrempel van de (veel)lezende westerling
getild. Dat herleven van oude kennis gaat vaak volgens een bepaald patroon:
het patroon namelijk van de zondeval.
Vroeger, lang, heel lang geleden, leefde de mens nog in harmonie met andere
mensen en met de natuur om zich heen. Daarnaast hadden, volgens vele van
de vertellers uit de zondeval traditie, onze voorouders een ongedwongen
contact met bovennatuurlijke krachten, al dan niet in de vorm van spirits
(personen en dieren), waardoor bijvoorbeeld problemen als ziekte op een
betere manier aangepakt konden worden. De harmonie die de ouden hadden,
is verloren gegaan.
De schuld voor die zondeval wordt door genoemde vertellers vaak gegeven aan de twee peilers van de moderne westerse of verwesterde beschaving: wetenschap en christelijke religie. De christelijke religie wordt verweten een wig gedreven te hebben tussen mens en natuur. Daarin immers wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen de geest en het lichaam. De geest is strikt persoonlijk en slechts op individuele basis verantwoording schuldig aan een al even persoonlijke en unieke God. Het lichaam daarentegen is een deel van de natuur die God aan de mens gegeven heeft om er mee te doen wat hem goed dunkt. De wetenschap is in zekere zin het instrument dat de christelijke scheiding tussen geest en natuur steeds groter heeft gemaakt. Menig pleiter voor de oude kennis zal daarbij niet nalaten op te merken dat deze wereldbeschouwing gebaseerd is op overheersing en derhalve typisch mannelijk is.
We moeten, zo gaat het verhaal van de zondeval verder, de oude harmonie terugvinden, af van het idee dat de mens los staat van de natuur, en we moeten onze kunde om de natuur daadwerkelijk te beheersen op uiterst gedisciplineerde manier toepassen. En volgens menigeen moeten we ook meer vrouw worden.
Deze algemene rechtvaardiging voor het doen opleven van oude kennis geldt ook het sjamanisme dat zich de laatste jaren in een opvallend grote belangstelling mag verheugen. Nu zal dit afzetten tegen de hoofdstroom van onze cultuur niet de belangrijkste rechtvaardiging voor het sjamanisme zijn, maar het is wel een rode draad in het leven en denken van de velen die zich op de een of andere wijze bezighouden met het sjamanisme. Dat blijkt bijvoorbeeld zeer duidelijk uit het fraaie boek van Myriam Ceriez, Sjamanen: Gesprekken, belevenissen, en rituelen.
In tegenstelling tot de meeste boeken over dit onderwerp wordt niet
rechtstreeks ingegaan op het sjamanisme zelf, maar op de mensen die het
sjamanisme beoefenen.
Via een gesprek met een tiental internationaal bekende en nog levende sjamanen
wordt van merkwaardige mensen een geschreven portret gemaakt en pas in
die context komt het sjamanisme zelf aan bod.
Myriam Ceriez had volgens haar inleiding het plan een heus interviewboek
te schrijven waarin op min of meer afstandelijke wijze de lezer bekend
zou worden gemaakt met sjamanen uit verschillende culturen en de door hun
gehanteerde methoden. Maar ze heeft dit plan moeten veranderen omdat haar
rol van observator gaandeweg is ingeruild voor die van participant. Het
gevolg voor het boek is dat elk interview ook een verslag van haar eigen
ervaringen met het sjamanisme is geworden. Niet zelden heeft ze zich ook
opgesteld als leerlinge, meer dan als interviewster. Regelmatig doet ze
ook verslag van haar eigen sjamanistische reizen en contacten in de andere
werkelijkheid.
Myriam Ceriez schrijft goed en weet, ondanks steeds terugkerende
verslagen van eigen belevingen, de geïnterviewde mensen vakkundig
te portretteren. Het is een levendig boek over levende mensen geworden:
zeer leesbaar en informatief voor iedereen die iets meer weten wil van
deze rare mensen en hun frequent contact met andere realiteiten.
Maar haar werkwijze heeft een keerzijde. Waarschijnlijk omdat ze zelf als
nieuwkomer is ondergedompeld in het sjamanisme is het geen kritisch boek
geworden.
De geïnterviewden wordt nergens een lastige vraag voorgelegd en de
scepsis, die ze zelf een enkele maal ten tonele voert, met name aan het
begin van een interview, vervult geen enkele constructieve rol in het boek.
Het thema van de zondeval bijvoorbeeld dat, in verhulde vorm, regelmatig
opduikt, wordt nergens expliciet bevraagd.
Dit alles is niet zozeer een verwijt aan het adres van Myriam Ceriez, haar boek zou niet geworden zijn wat het nu is, maar het geeft wel aan dat er ook een ander boek geschreven had kunnen worden. Misschien een tip voor een andere auteur? En als die andere auteur opstaat, zou die dan ook zo vriendelijk willen zijn het patroon van de zondeval van de oude kennis eens aan een nadere analyse te onderwerpen? Op mij komt het niet over als een correcte manier om over dit soort zaken na te denken, maar ja, weet ik veel...
HENK ELLERMANN